Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX7480
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstandsuitkering omdat na eerdere afwijzing geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat nu wel recht bestond op bijstand.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2374 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 12 april 2005, 03/5113 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ís-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2004 heeft het College het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder het College tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ís-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 1 april 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant dagelijks van circa 15.30 tot 23.00 uur zou werken in Grillroom [naam Grillroom] te [vestigingsplaats], heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek (BO) van de gemeente ís-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn van 10 maart 2003 tot en met 20 maart 2003 waarnemingen verricht, waaruit naar voren is gekomen dat appellant nagenoeg dagelijks in Grillroom [naam Grillroom] werkzaam is. Op 2 april 2003 heeft appellant tegenover de afdeling BO verklaard dat hij sinds februari 2003 gemiddeld vier werkdagen en soms wel meer dagen per week vanaf omstreeks 15.00 uur tot 22.00 uur in de grillroom werkt. Deze onderzoeksresultaten, neergelegd in rapportages van 21 maart 2003 en 2 april 2003, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 8 april 2003 het recht op bijstand over de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 maart 2003 te herzien (lees: in te trekken), de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen en het recht op bijstand met ingang van 1 april 2004 te beŽindigen wegens inkomsten uit arbeid.

Op 2 mei 2003 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend met terugwerkende kracht tot 1 april 2003. Zowel ter onderbouwing van de nieuwe aanvraag, als in bezwaar tegen het besluit van 8 april 2003, heeft appellant aangevoerd dat hem om medische redenen ontheffing van de arbeidsverplichtingen is verleend, maar dat hij desondanks sinds 1 februari 2003 bij wijze van experiment in de grillroom is begonnen, waar hij sinds 1 maart 2003 gedurende 9 uur per week werkzaam is tegen een salaris van Ä 170,-- per maand. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant salarisspecificaties over de maanden maart en april 2003 overgelegd. In het kader van de behandeling van de aanvraag heeft appellant voorts op 2 juli 2003 verklaard dat hij vanaf maart 2003 vast op de maandag, dinsdag en donderdag werkzaam was, van 17.00 tot 20.30 uur. Op 4 juli 2003 is de afdeling BO gevraagd een nader onderzoek in te stellen naar de omvang van de werkzaamheden van appellant. In verband met het verstrijken van de beslistermijn heeft het College, nog voor aanvang van het nader onderzoek door de afdeling BO, bij besluit van 18 juli 2003 de aanvraag afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op de overweging dat appellant na het besluit van 8 april 2003 geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat hij nu wel recht heeft op bijstand.

Vanaf 18 juli 2003 tot en met 26 juli 2003 heeft de afdeling BO opnieuw waarnemingen verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28 juli 2003. Blijkens dit rapport is appellant op de dagen waarop hij volgens zijn verklaring van 2 juli 2003 niet zou werken wel werkend aangetroffen in Grillroom [naam Grillroom].

Bij besluit van 14 november 2003 heeft gedaagde - voorzover hier van belang - de bezwaren tegen de besluiten van 8 april 2003 en 18 juli 2003 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is onder meer ten grondslag gelegd dat het gestelde aantal productieve uren van 9 per week gelet op de veelvuldige aanwezigheid van appellant in de grillroom niet aannemelijk is te achten. Daardoor bestaat onvoldoende inzicht in de middelen waarover appellant beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken, zodat het recht op bijstand vanaf 1 februari 2003 niet kan worden vastgesteld. Dit geldt evenzeer voor de aanspraak op bijstand op en na 2 mei 2003.

Appellant is uitsluitend in beroep gekomen tegen het besluit van 14 november 2003 voorzover het de afwijzing van de aanvraag van 2 mei 2003 bij het besluit van 18 juli 2003 betreft.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 november 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er voor het College geen aanleiding bestond om terug te komen van het beŽindigingsbesluit van 8 april 2003.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat, gelet op hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangegeven, thans nog slechts ter beoordeling staat de vraag of de aanvraag om bijstand met ingang van 2 mei 2003 terecht is afgewezen.

Indien een belanghebbende na beŽindiging van zijn bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op diens weg om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin, dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Zoals uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt, heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 april 2003 beŽindigd, omdat uit de in maart 2003 verrichte waarnemingen en de door appellant op 2 april 2003 afgelegde verklaring naar voren was gekomen dat hij meer werkzaamheden verrichtte dan de 9 uur per week die appellant stelde op maandag, dinsdag en donderdag te verrichten. Aldus is appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting niet of niet volledig nagekomen waardoor niet kon worden beoordeeld of hij nog verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van de Abw. Nu tegen de beŽindiging van de bijstand per 1 april 2003 geen beroep is ingesteld moet de juistheid van dit onderdeel van het besluit van 14 november 2003 als vaststaand worden aangenomen.

In het kader van de aanvraag van 2 mei 2003 heeft appellant het standpunt ingenomen dat hij vanaf maart 2003 nog slechts op de maandag, dinsdag en donderdag voor in totaal 9 uur per week werkzaam is, maar dat standpunt is niet te rijmen met de in maart 2003 verrichte waarnemingen en met de verklaring van appellant van 2 april 2003, zodat het recht op bijstand ook ingaande 2 mei 2003 niet kan worden vastgesteld. Dat appellant nog steeds geen duidelijkheid heeft gegeven over de omvang van de werkzaamheden - en derhalve van de middelen - wordt bovendien bevestigd door de in juli 2003 door de afdeling BO in het kader van het nadere onderzoek gedane waarnemingen.

De Raad ziet niet in waarom de resultaten van dit onderzoek - dat blijkens de rapportage, ondanks het feit dat al op de aanvraag was beslist, toch is ingesteld in verband met het vermoeden dat appellant bezwaar zou maken tegen de afwijzing van de aanvraag - niet mede aan de handhaving van de afwijzing van de aanvraag in het besluit van 14 november 2003 ten grondslag gelegd zouden kunnen worden. Naar aanleiding van de verklaring van de eigenaar van Grillroom [naam Grillroom], dat appellant op therapeutische basis werkzaamheden verricht en ook voor de gezelligheid aanwezig is, overweegt de Raad dat appellant veelal achter de balie is waargenomen. Het aldus aanwezig zijn in een horecagelegenheid moet, ook in het geval niet voortdurend sprake is van het bedienen van klanten, als productieve arbeid worden aangemerkt. De door appellant ter zitting gegeven verklaring dat hij in verband met de vakantieperiode in juli op andere dagen werkzaam was dan gebruikelijk komt de Raad ten slotte niet overtuigend voor, nu appellant hierover in zijn verklaring van 2 juli 2003 niets heeft gezegd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x