Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX8876
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking bijstandsuitkering omdat betrokkenen niet aan hun informatieverplichting hadden voldaan.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1842 WWB en 05/1843 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 februari 2005, 04/1043 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (DSZW), (hierna: het dagelijks bestuur).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. A.L.M.E. Bijlholt, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Snoekstra, werkzaam bij de DSZW.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen tot 1 juli 2002 bijstand ingevolgde de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar. Met ingang van deze datum is het recht op bijstand beëindigd omdat appellant in dienst trad bij de Stichting Natuurpark Noordwest Friesland (hierna: de stichting). Dit dienstverband werd beëindigd per 30 juni 2003. Vervolgens hebben appellanten met ingang van 1 juli 2003 wederom bijstand aangevraagd. Op het aanvraagformulier is - voorzover hier van belang - vermeld dat appellant bij de stichting vrijwilligerswerk verricht. Bij besluit van 31 juli 2003 heeft het dagelijks bestuur aan appellanten bijstand naar de norm voor een echtpaar toegekend.

In het kader van een in maart 2004 gehouden heronderzoek heeft appellant op het daartoe door de DSZW gebruikte formulier vermeld dat hij gedurende circa 20 uur per week vrijwilligerswerk en onbetaalde arbeid doet bij de stichting. Op de vraag wat voor soort werkzaamheden dit betreft heeft appellant geantwoord: “klussen”. Appellant heeft hierbij voorts aangegeven dat bij voldoende draagkracht van de stichting kans op betaald werk bestaat.

Bij brief van 6 april 2004 is appellanten verzocht om op 13 april 2004 op het kantoor van de DSZW te verschijnen en daar over te leggen de stichtingsakte, de doelstelling van de stichting, de boekhouding van de stichting over het jaar 2003 en informatie te verschaffen over de geldstromen van de stichting bijvoorbeeld door inzage in alle op naam van de stichting staande bankrekeningen vanaf januari 2003.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten niet aan dit verzoek hebben voldaan. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 20 april 2004 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb) het recht op bijstand van appellanten met ingang van 13 april 2004 opgeschort en hen alsnog in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens uiterlijk op 28 april 2004 in te leveren. Voorts is aangegeven dat, indien appellanten hun verzuim niet herstellen, het recht op bijstand met ingang van 13 april 2004 zal worden ingetrokken.

Nadat het dagelijks bestuur had geconstateerd dat appellanten uiterlijk op 28 april 2004 niet aan hun informatieverplichting hadden voldaan, is bij besluit van 24 mei 2004 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb het recht op bijstand met ingang van 13 april 2004 ingetrokken.

Appellanten hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur deze bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van
18 augustus ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Met betrekking tot de opschorting van het recht op bijstand

Artikel 54, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Naar aanleiding van de uitkomsten van een heronderzoek zijn appellanten bij brief van 6 april 2004 uitgenodigd voor een gesprek op 13 april 2004 op het kantoor van de DSZW teneinde daar een aantal met name genoemde stukken in te dienen. Vaststaat dat appellanten deze stukken op 13 april 2004 niet aan de DSZW hebben overhandigd.

Appellanten hebben aangevoerd dat de DSZW reeds geheel op de hoogte was van de aard en omvang van het vrijwilligerswerk. Voorts hebben appellanten gesteld dat niet zij over de gevraagde gegevens kunnen beschikken, maar de stichting.

Bij de aanvraag om bijstand is weliswaar vermeld dat appellant voor de stichting vrijwilligerswerk verricht, doch over aard en omvang van deze activiteiten is noch bij die gelegenheid noch op enig ander moment verdergaande informatie verstrekt. Op het heronderzoeksformulier van maart 2004 heeft appellant vermeld dat hij voor de stichting “klussen” verricht gedurende ongeveer 20 uur per week. Verder heeft appellant nog vermeld dat bij voldoende draagkracht van de stichting betaalde arbeid weer tot de mogelijkheden behoort. Van belang is hierbij voorts dat de DSZW er mee op de hoogte was dat appellant eerder bij de stichting in dienst was, dat hij de stichting heeft opgericht, dat de stichting is gevestigd op zijn woonadres en dat hij de voorzitter, appellante de secretaris en hun dochter - ten tijde hier in geding - de penningmeester is van het bestuur van de stichting. Gelet op de combinatie van deze gegevens is de Raad met het dagelijks bestuur van oordeel dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor verlening van de bijstand, onder meer teneinde te kunnen vaststellen of er sprake is van een financiële verstrengeling tussen appellant en de stichting.

Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, alsmede het gegeven dat voorzitter en secretaris van het bestuur van de stichting gezamenlijk bevoegd zijn en het feit dat de stichting in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door hetzij het bestuur hetzij de voorzitter en de secretaris gezamenlijk, is de Raad voorts met het dagelijks bestuur en de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een zodanige verwevenheid tussen appellanten en de stichting dat appellanten degenen zijn die over de gevraagde stukken kunnen beschikken en dat derhalve zij en niet de stichting de betreffende gegevens hadden moeten verstrekken. Het valt appellanten dan ook te verwijten dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 13 april 2004 gebruik heeft kunnen maken.



Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Wwb doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de Abw bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Bij zijn besluit van 20 april 2004 heeft het dagelijks bestuur appellanten in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door de gevraagde gegevens alsnog uiterlijk op 28 april 2004 in te leveren. Vaststaat dat appellanten niet binnen de gestelde termijn deze gegevens hebben overgelegd.

Hiermee is gegeven dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb is voldaan. Het dagelijks bestuur was derhalve bevoegd het besluit tot toekenning van het recht op bijstand met ingang van 13 april 2004 in te trekken. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur bij de afweging van de rechtstreeks bij het besluit tot intrekking betrokken belangen terecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat de betreffende gegevens tijdens de bezwaarfase alsnog door appellanten zijn overgelegd. In het kader van een heroverweging in bezwaar van een op grond van artikel 54, vierde lid, van de Wwb genomen besluit staat uitsluitend ter beoordeling of de betrokkene (verwijtbaar) heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken. Indien dat het geval is, dan dient het bestuursorgaan zich in bezwaar te beraden over de vraag op welke wijze van zijn bevoegdheid om het besluit tot toekenning van bijstand in te trekken gebruik is gemaakt. Noch de - discretionaire - bevoegdheid van artikel 54, vierde lid, van de Wwb, waarbij het gaat om de beoordeling van de situatie ten tijde van het verstrijken van de bij het opschortingsbesluit gestelde hersteltermijn, noch het voorschrift tot heroverweging van het primaire besluit zoals neergelegd in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht leiden ertoe dat rekening moet worden gehouden met de na de gestelde termijn ontvangen gegevens.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x