Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX8897
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatregel omdat betrokkene door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. Terugvordering. Uitnodiging voor een hoorzitting per gewone brief. De rechtsgevolgen blijven in stand.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/266 WWB en 05/1897 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 december 2004, 04/433 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College).

Datum uitspraak: 23 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 november 2005 heeft de rechtbank Maastricht het beroepschrift van appellant tegen een nader besluit van het College van 14 maart 2005 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) met ingang van 7 mei 2001 een arbeidsovereenkomst aangegaan met reïntegratiebureau VIXIA (hierna: VIXIA). Deze organisatie heeft appellant op verschillende werkplekken geplaatst. Laatstelijk is aan appellant de functie van beheerder fietsenstalling bij het onderdeel Stadstoezicht van de gemeente Sittard-Geleen aangeboden. Nadat appellant dat aanbod had geweigerd, is de dienstbetrekking wegens dringende redenen met ingang van 18 oktober 2001 beëindigd. Appellant heeft dit ontslag niet aangevochten.

Naar aanleiding van een aanvraag van appellant heeft het College bij besluit van 13 maart 2002 aan appellant met ingang van 2 november 2001 recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Tevens is bij dat besluit de uitkering van appellant met toepassing van artikel 14, eerste lid, van de Abw gedurende één maand, ingaande 2 november 2001, geheel geweigerd. Het College heeft deze maatregel opgelegd op de grond dat appellant in de periode onmiddellijk voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking. Voorts heeft het College bij dit besluit aan appellant meegedeeld dat de hem verstrekte voorschotten zullen worden verrekend met zijn uitkering, wat het op 18 december 2001 voor de maand november 2001 verstrekte voorschot van f 750,-- (€ 340,34) betreft door inhouding van € 50,-- per maand ingaande 1 maart 2002.

Bij besluit van 23 september 2002 heeft het College het tegen het besluit van 13 maart 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder wijziging van dat besluit in zoverre dat het hiervoor genoemde bedrag van € 340,34 van appellant met toepassing van artikel 80 van de Abw wordt teruggevorderd.

De rechtbank Maastricht heeft het tegen het besluit van 23 september 2002 ingestelde beroep bij uitspraak van 11 juni 2003, 02/1661, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het College op 13 februari 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen, wederom strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar, met dien verstande dat meergenoemd bedrag van € 340,34 wordt teruggevorderd met toepassing van artikel 80 van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep voorzover het de terugvordering van het voorschot betreft gegrond verklaard, het besluit van 13 februari 2004 in zoverre vernietigd op de grond dat het op een onjuiste wettelijke grondslag berust, en het College opgedragen op dit punt een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant het besluit van 14 maart 2005 genomen, waarbij aan de terugvordering artikel 81, eerste lid, van de Abw ten grondslag is gelegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De zitting bij de rechtbank

Ter zitting van de rechtbank van 28 oktober 2004 is alleen mr. Haagmans namens het College verschenen. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet voor deze zitting is uitgenodigd. De Raad heeft dienaangaande van de rechtbank vernomen dat appellant voor deze zitting door de griffier per gewone brief is uitgenodigd. Dat betekent dat appellant niet op de in artikel 8:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de behandeling van zijn zaak.

De Raad zal de aangevallen uitspraak om die reden vernietigen.

Het voorgaande brengt mee dat aan het ter uitvoering van de te vernietigen uitspraak genomen besluit van 14 maart 2005 de grondslag komt te ontvallen. De Raad zal dat besluit eveneens vernietigen.

De Raad ziet geen reden om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en zal het geschil zelf afdoen. Daarbij staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of het besluit van 13 februari 2004 stand kan houden.



De maatregel

In artikel 14, eerste lid, van de Abw is, voorzover hier van belang, bepaald dat indien de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de bijstand geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd.

Vaststaat dat appellant is ontslagen uit zijn dienstbetrekking bij VIXIA. Binnen het kader van deze dienstbetrekking is appellant op verschillende werkplekken werkzaam geweest. Het ontslag is, zij het met inachtneming van de gang van zaken die heeft geleid tot het mislukken van de eerdere plaatsingen, uiteindelijk gebaseerd op de weigering van appellant om te gaan werken als beheerder van een fietsenstalling. Het College heeft in het besluit van 13 februari 2004 naar het oordeel van de Raad toereikend gemotiveerd dat deze functie dient te worden beschouwd als passende arbeid, zowel in medische als in sociale zin. Appellant heeft daartegenover onvoldoende gesteld. Met name heeft hij niet aan de hand van objectieve gegevens, waaronder begrepen medische gegevens, aannemelijk gemaakt dat deze functie niet voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en dat als gevolg daarvan niet van hem kon worden gevergd dat hij die functie zou gaan vervullen. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, een dergelijke functie eerder heeft geweigerd en dat daaraan toen geen consequenties zijn verbonden, maakt dat niet anders. Daarbij moet worden bedacht dat deze functie aan appellant is aangeboden bij wijze van laatste kans, nadat eerdere plaatsingen waren mislukt.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich gezien het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden was een maatregel op te leggen.

In de artikelen 3 en 5, eerste lid, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) worden de gedragingen ten aanzien waarvan een matregel wordt opgelegd onderscheiden in categorieën en wordt de zwaarte van de op te leggen maatregel nader bepaald. Het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking valt onder de vierde categorie, waarbij past de maatregel van een weigering van de bijstand van 100% gedurende één maand. De door het College opgelegde maatregel is daarmee in overeenstemming. Niet is gebleken dat de omstandigheden van appellant of de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten het College aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel te matigen met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad ten slotte geen dringende redenen in de zin van artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was om van het opleggen van een maatregel af te zien.

Het besluit van 13 februari 2004 kan derhalve standhouden voorzover het de maatregel betreft.



De terugvordering

Het College heeft appellant in de vorm van een voorschot bijstand verleend voor de periode november 2001. Bij besluit van het College van 13 maart 2002 is aan appellant recht op bijstand toegekend met ingang van 2 november 2001. Als gevolg daarvan is aan de over de periode van 2 tot en met 30 november 2001 in de vorm van een voorschot verleende bijstand het voorschotkarakter ontnomen.

Aan het besluit van 13 februari 2004 heeft het College wat de terugvordering van het voorschot betreft artikel 80 van de Abw ten grondslag gelegd. Dat acht de Raad niet juist, aangezien terugvordering op grond van die bepaling slechts plaats heeft indien over de periode waarover het voorschot is verleend geen recht op bijstand bestaat. In dit geval bestaat over die periode wel recht op bijstand. Dat wordt niet anders door het gegeven dat over deze periode ten aanzien van appellant een maatregel is toegepast. Dit betekent dat - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 13 februari 2004 in zoverre wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet op grond van de volgende overwegingen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 13 februari 2004 in stand te laten.

Bij het besluit van 13 maart 2002 is tevens de hiervoor besproken maatregel opgelegd. Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw - voorzover hier van belang - wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd. Uit hetgeen hiervoor over de maatregel is overwogen volgt dat aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van deze bepaling is voldaan, zodat het College gehouden was over te gaan tot terugvordering van het over november 2001 verleende voorschot.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



Slot

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het besluit van 14 maart 2005;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2004 gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 februari 2004 voorzover het de terugvordering betreft;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 13 februari 2004 in stand blijven;
Bepaalt dat de gemeente Sittard-Geleen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.M. van Male en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x