Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX9573
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende n maand omdat betrokkene door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4350 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2005, 04/2012 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.S. Muijsson, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Muijsson. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant was sedert enige jaren in dienstbetrekking werkzaam bij Stichting BOKA. Op 9 december 2003 heeft appellant zijn dienstbetrekking met onmiddellijke ingang opgezegd. Appellant heeft zich op 10 december 2003 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen en op 26 februari 2004 een bijstandsuitkering aangevraagd.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft het College appellant met ingang van 10 december 2003 recht op een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Voorts heeft het College de bijstand met ingang van 10 december 2003 voor de duur van een maand met 100% verlaagd op de grond dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 14, eerste lid, van de Abw in verbinding met artikel 3, onderdeel 4, aanhef en onder b en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz.

Bij besluit van 17 juni 2004 is het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij aan de verlaging van de bijstand alsnog artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb) in verbinding met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening afstemming bijstand 2004 (verder: Afstemmingsverordening) ten grondslag gelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 17 juni 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College aan het besluit van 17 juni 2004, voorzover daarbij het handelen van appellant in de periode vr 1 januari 2004 is beoordeeld, ten onrechte het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de Wwb en het bepaalde in artikel 2, 3 en 4 van de Afstemmingsverordening ten grondslag heeft gelegd maar dat de toepasselijke wettelijke bepalingen materieel tot hetzelfde resultaat leiden.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het toepasselijke recht

De Raad stelt allereerst vast dat in de gemeente Utrecht artikel 18 van de Wwb met ingang van 1 januari 2004 in werking is getreden en artikel 14 van de Abw met ingang van die datum is komen te vervallen. Gelet hierop volgt uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 december 2005 (LJN AU7664) dat het College vanaf 1 januari 2004 aan artikel 18, tweede lid, van de Wwb de bevoegdheid ontleent om de bijstand te verlagen ook voorzover de verlaging van de bijstand betrekking heeft op een gedraging die vr 1 januari 2004 heeft plaatsgevonden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de gedraging waarvoor het College de bijstand heeft verlaagd (het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking) zowel onder de Wwb als onder de Abw grondslag voor het opleggen van een sanctie is en dat het voor die gedraging geldende (standaard) sanctieregime onder de Wwb geen zwaardere sanctie voorschrijft dan het (standaard) sanctieregime van de Abw.



De verlaging van de bijstand

Artikel 18, tweede lid, van de Wwb bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De in artikel 18, tweede lid, van de Wwb bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening. Ingevolge artikel 2 van de Afstemmingsverordening worden de gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb onderscheiden in een aantal categorien. Tot de vierde categorie behoort het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Afstemmingsverordening leidt een gedraging van de vierde categorie ertoe dat de bijstandsuitkering 100% wordt verlaagd. Artikel 3, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het college het percentage van de verlaging lager kan vaststellen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening vindt de verlaging plaats voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging. Artikel 6, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het college kan besluiten af te zien van de tenuitvoerlegging van een verlaging van de bijstand als sprake is van dringende redenen.

Vaststaat dat appellant op 9 december 2003 uit zijn dienstbetrekking ontslag heeft genomen. Partijen verschillen van mening of de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van de ontslagname zodanig was dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van appellant zou kunnen worden gevergd.

Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er sprake was van een acute medische noodzaak op grond waarvan niet van appellant kon worden gevergd dat de dienstbetrekking zou voortduren. De door appellant in bezwaar ingebrachte verklaringen van zijn huisarts, behandelend psycholoog en twee bedrijfsartsen, bezien in onderling verband en samenhang, geven weliswaar aan dat appellant vanaf eind juli 2003 een aantal maanden niet heeft gewerkt vanwege werkgerelateerde spanningsklachten en dat hij in de periode van augustus 2003 tot en met oktober 2003 daarvoor onder behandeling is geweest bij een psycholoog, maar niet dat er op 9 december 2003 een acute medische noodzaak bestond om ontslag te nemen. Evenmin blijkt uit die verklaringen dat appellant ten tijde van zijn ontslagname op medische gronden niet in staat was zijn wil te bepalen of de consequenties van zijn handelen te overzien. Anders dan appellant stelt, hadden de betreffende verklaringen het College evenmin aanleiding hoeven te geven om in het kader van de behandeling van het bezwaar een nader onderzoek in te stellen naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde hier van belang. Aan de stelling van appellant dat hem voor het uitbrengen van een medische expertise de middelen ontbreken, gaat de Raad voorbij, nu ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de rechter de mogelijkheid heeft een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van een beroep, welk artikel op grond van artikel 21 van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing is op het hoger beroep, redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Belanghebbenden zullen met betrekking tot de vraag of zij een medisch onderzoek laten verrichten in dat licht zelf een afweging dienen te maken.

Gelet op het vorenstaande houdt de Raad het ervoor dat appellant te lichtvaardig ontslag uit zijn dienstbetrekking heeft genomen, zodat sprake is van het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb en van een door zijn toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder a, van de Afstemmingsverordening. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wwb gehouden was de bijstand te verlagen. De hoogte en duur van de verlaging is in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening bepaald op 100% van de bijstand gedurende een maand. De Raad is niet gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Afstemmingsverordening het percentage van de verlaging lager vast te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Afstemmingsverordening.



Slotoverweging

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x