Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AX9596
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering vanwege verzwegen inkomsten uit arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/5517 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2005, 04/2628 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2006, waar appellante niet is verschenen, en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.M.P. Servais, werkzaam bij de gemeente Arnhem.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving over de periode van 8 juli 1997 tot 1 oktober 2003 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het College het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 september 2003 tot en met 30 september 2003 herzien (lees: ingetrokken) in verband met inkomsten uit arbeid en de over deze periode verstrekte bijstand tot een bedrag van Ä 892,25 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 23 september 2004 is onder wijziging van de wettelijke grondslag voor terugvordering in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (Wwb) het terug te vorderen bedrag gewijzigd in Ä 720,63 en het bezwaar in zoverre gegrond verklaard. Voorts is overwogen dat appellante over de maand september 2003 ten onrechte bijstand is verstrekt en er geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden zijn die tot afzien van terugvordering zouden moeten leiden. Het bezwaar van appellante is daarom overigens ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd in verband met een bevoegdheidsgebrek en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, en met name een beroep gedaan op dringende redenen en/of bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Wwb kan het College de kosten van bijstand terugvorderen voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

De Raad stelt vast dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 3 maart 2004 met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 september 2003 tot en met 30 september 2003. Dit betekent dat het besluit van 3 maart 2004 op dit onderdeel tussen partijen in rechte vaststaat. Als gevolg van dit intrekkingsbesluit is appellante over de periode van 1 september 2003 tot en met 30 september 2003 ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellante terug te vorderen.

Blijkens de gedingstukken heeft het College de beleidsregel vastgesteld om het beleid dat het College ter uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb heeft vastgesteld ook te hanteren indien de verstrekte bijstand betrekking heeft op de periode vůůr 1 januari 2004. Dit beleid houdt in dat het College indien ten onrechte of te veel bijstand is genoten altijd tot terugvordering overgaat tenzij er sprake is van dringende redenen. Op basis van vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw wordt bij dringende redenen gedacht aan onaanvaardbare sociale en/of financiŽle consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden heeft plaatsgehad.

De Raad begrijpt deze beleidsregel aldus dat het College bij de hantering van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb in algemene zin het belang van het tegengaan van fraude en het financiŽle belang van de gemeente het zwaarst laat wegen, en dat hij in beginsel overgaat tot gehele terugvordering van de kosten van bijstand voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien in verband met dringende redenen gehele terugvordering van de kosten van bijstand voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gelet op de consequenties van een terugvordering voor degene van wie teruggevorderd wordt, onaanvaardbaar is. De Raad is van oordeel dat het College met deze beleidsregel niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden, voorzover deze ziet op situaties - zoals in het geval van appellante - waarin sprake is van schending van de inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw (vergelijk ook de uitspraak van 8 november 2005, LJN AU5973).

Dat appellante schulden heeft kan niet als een dringende reden in vorenbedoelde zin worden aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkenen te allen tijde blijven beschikken over de belastingsvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 23 september 2004 in overeenstemming is met deze beleidsregel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College daarvan had moeten afwijken. Er is derhalve geen aanleiding te oordelen dat het College in het geval van appellante in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 september 2004 in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt dan ook voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x