Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY0170
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overschrijding van de bezwaartermijn? Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/145 WWB-E




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2004, 04/1249 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft A.M.C.A. van Stein, maatschappelijk werkster te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn ingediend door mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat te ’s-Gravenhage.

Het College heeft desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 05/35 WWB, behandeld ter zitting van 10 januari 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Basten Batenburg. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande. Onder meer door middel van het inlichtingenformulier over oktober 2000 en een op 31 januari 2001 gedateerd registratieformulier heeft appellant het College op de hoogte gesteld van zijn verhuizing van [adres 1] te ’s-Gravenhage naar de [adres 2] te ’s-Gravenhage. [Adres 2] is het adres van watersportvereniging ‘De Vlietstrook’, waar appellant zijn intrek had genomen in een klein kajuitbootje.

Nadat appellant een naar zijn oude adres gezonden inlichtingenformulier niet had ingeleverd, heeft het College het recht op bijstand bij besluit van 1 maart 2001 per 1 februari 2001 opgeschort en vervolgens bij besluit van 15 maart 2001 per 1 februari 2001 ingetrokken. Ook deze besluiten zijn - uitsluitend - gezonden naar [adres 1].

Op 12 september 2002 is namens appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft het College aan appellant met ingang van 12 september 2002 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, onder toepassing van een verlaging van 18% in verband met het feit dat appellant geen woning bewoonde waaraan woonlasten zijn verbonden.

Nadat aan appellant een woning was toegewezen, is deze verlaging bij besluit van 26 november 2002 met ingang van 1 november 2002 komen te vervallen. In bezwaar tegen het besluit van 26 november 2002 heeft appellant zich onder andere op het standpunt gesteld dat hij vanaf 1 februari 2001 voor bijstand in aanmerking dient te komen. Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer verwezen naar (de) besluiten van 1 maart 2001 en 15 maart 2001.

Vervolgens is namens appellant op 9 april 2003 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 maart 2001. Daarbij is verzocht om toezending van een kopie van dat besluit. Het College heeft vervolgens een afschrift van het besluit aan A.M.C.A. van Stein gezonden.

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Het College heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er indertijd verwarring was ontstaan rond het [adres 2], omdat het geen officieel woonadres betrof en appellant zich daar niet kon laten inschrijven. De gevolgen daarvan voor de postbezorging dienen volgens het College voor risico van appellant te komen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 januari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant in ieder geval op 12 september 2002 op de hoogte moet zijn geweest van (de strekking van) het besluit van 15 maart 2001. De bezwaartermijn is naar haar oordeel derhalve aangevangen op 13 september 2002, zodat deze op 9 april 2003 al geruime tijd was verstreken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende tot wie het is gericht.

De Raad stelt vast dat het besluit van 15 maart 2001 - uitsluitend - is gezonden naar een adres waarvan bij het College bekend was dat appellant daar niet meer woonde. Appellant had dit immers enkele malen aan het College bericht. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat de naar dat adres verstuurde voor appellant bestemde post vanaf 9 februari 2001 aan het College is teruggestuurd met de mededeling dat de geadresseerde was verhuisd. Het besluit is ook niet aan appellant uitgereikt op het adres waarvan bij het College bekend was dat appellant daar feitelijk verbleef. Het besluit van 15 maart 2001 is derhalve niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn niet op 16 maart 2001 is aangevangen.
Volgens vaste rechtspraak kan de bezwaartermijn nadien alsnog aanvangen op de dag na die waarop degene tot wie het besluit is gericht (dan wel, indien van toepassing, diens gemachtigde) van dat besluit kennis heeft gekregen, dat wil zeggen: in het bezit is gesteld van dat besluit of een afschrift daarvan. Daarvan is op 12 september 2002 geen sprake geweest. De Raad onderschrijft daarom niet het oordeel van de rechtbank dat de bezwaartermijn op 13 september 2002 is aangevangen. De enkele verwijzing naar het besluit van 15 maart 2001 in het besluit van 28 maart 2003 kan naar het oordeel van de Raad evenmin als bekendmaking van het besluit van 15 maart 2001 worden aangemerkt, zodat de bezwaartermijn ook niet is aangevangen op de dag na de verzending (op 1 april 2003) van het besluit van 28 maart 2003. De bezwaartermijn is daarentegen eerst aangevangen na de toezending van een afschrift van het besluit van 15 maart 2001 aan A.M.C.A. van Stein.

Hieruit volgt dat de bezwaartermijn is aangevangen na de indiening van het bezwaarschrift op 9 april 2003. Ten aanzien van een dergelijk - prematuur - bezwaar blijft ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Die situatie doet zich hier onmiskenbaar voor.

Het voorgaande betekent dat het College het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 27 januari 2004 vernietigen.

De Raad beschikt, ook na de ontvangst van de nadere stukken van het College, over onvoldoende feitelijke gegevens om zelf in de zaak te kunnen voorzien. De Raad zal daarom het College opdragen een nieuw - ditmaal: inhoudelijk - besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2001.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING

  
Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 27 januari 2004;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x