Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY3050
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bijzondere bijstand ter betaling van een schuld (reparatiekosten, verzekeringspremie en wegenbelasting voor de motor). Bevoegdheid van het bestuursorgaan.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/5277 WWB, 05/5279 WWB en 05/5280 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 juni 2005,03/999, 04/632 en 04/828 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).

Datum uitspraak: 20 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Grommers, werkzaam bij de gemeente Groningen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Het College heeft het recht op bijstand van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingaande 31 juli 2002 beëindigd in verband met zijn verhuizing naar Duivendrecht. Aansluitend heeft de gemeente Ouder-Amstel de bijstandsverlening voortgezet. Ingaande 14 februari 2003 heeft het College appellant wederom in aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering aangezien hij zich weer had gevestigd in de gemeente Groningen. Ingaande 18 november 2003 is de bijstand beëindigd in verband met werkaanvaarding.

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het College de aanvraag van appellant van 7 mei 2003 om bijstand in de kosten van een in december 2002 uitgevoerde reparatie aan zijn motor tot een bedrag van € 650,-- afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2003 (besluit 1) heeft het College het tegen het besluit van 24 juni 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft het College overwogen dat de kosten niet vallen onder de werkingssfeer van de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: Wiw) en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 6, sub b, van de Abw (lees: artikel 39, eerste lid, van de Abw). Tevens heeft het College de kosten van de behandeling van het bezwaar in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen.

Bij brief van 22 december 2003 heeft appellant het College tevens verzocht om bijstand in de kosten van een in november 2002 uitgevoerde reparatie aan zijn motor tot een bedrag van € 880,79. Hierbij heeft appellant uiteengezet dat hij voor deze kosten destijds bij de gemeente Ouder-Amstel bijstand had aangevraagd maar dat blijkens een brief van de reparateur van 9 september 2003, deze kosten niet zijn voldaan.

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het College de aanvraag om bijstand in de tweede reparatiekosten afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 mei 2004 (besluit 2) ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit, voorzover hier van belang, primair ten grondslag gelegd dat de kosten zijn opgekomen ten tijde dat appellant zijn woonplaats niet in de gemeente Groningen had. Tevens heeft het College de kosten van de behandeling van het bezwaar in de zin van artikel 7: 15, tweede lid, van de Awb afgewezen.

Bij brief van 30 januari 2004 heeft appellant het College om bijzondere bijstand verzocht in de kosten van de verzekeringspremie en de wegenbelasting voor zijn motor over de periode van 1 augustus 2002 tot en met 31 december 2003 tot een bedrag van € 286,96.

Bij besluit van 26 februari 2004 heeft het College de aanvraag van 30 januari 2004 afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 juli 2004 (besluit 3) ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat de kosten niet vallen onder de werkingssfeer van de Wiw en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van (lees: artikel 35, eerste lid ) van de ingaande 1 januari 2004 in werking getreden Wet werk en bijstand (hierna: Wwb). Voorts heeft gedaagde hierbij de kosten van de behandeling van het bezwaar in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard voorzover dit ziet op de besluiten 1 en 2, deze besluiten vernietigd, bepaald dat het College onbevoegd was om de aanvraag van 7 mei 2003 in behandeling te nemen, de aanvraag van 22 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover deze betrekking heeft op de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand op grond van de Abw respectievelijk de Wwb.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Reparatiekosten motor (€ 650,--)

De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat het College niet bevoegd was de betreffende aanvraag in behandeling te nemen. Ten tijde van de aanvraag (7 mei 2003) had appellant immers onbetwist woonplaats in de gemeente Groningen en ontving hij uit dien hoofde een periodieke bijstandsuitkering van dat College. Eventuele aanspraken op bijzondere bijstand diende hij ingevolge artikel 63 van de Abw dan ook jegens dat College geldend te maken. De enkele omstandigheid dat de nota van € 650,-- dateert van 10 december 2002, derhalve uit een periode dat hij zijn woonplaats nog had in de gemeente Ouder-Amstel, doet hier niet aan af. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad voorts het beroep tegen besluit 1 inhoudelijk beoordelen.

De Raad stelt vast dat in feite bijzondere bijstand is verzocht in de betaling van een schuld.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Abw wordt degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

Aangezien niet is gebleken dat appellant, die ten tijde van het ontstaan van de schuld en ook daarna een periodieke bijstandsuitkering ontving, niet over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien vormt artikel 15, eerste lid, van de Abw een beletsel voor verlening van bijstand in de gevraagde kosten. De Raad is voorts van oordeel dat het College niet bevoegd was om appellant met toepassing van artikel 15, tweede lid, van de Abw tegemoet te komen. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet is immers niet gebleken en van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake.

Het beroep tegen besluit 1 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.



Reparatiekosten motor (€ 880,79)

Artikel 40, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat het recht op bij stand bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
Artikel 42, eerste lid, van de Wwb bepaalt dat, indien doorzending van de aanvraag naar burgemeester en wethouders van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en deze van oordeel zijn dat zij evenmin de aanvraag dienen te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden verkregen over de in artikel 40 bedoelde woonplaats, burgemeester en wethouders die de doorgezonden aanvraag hebben ontvangen, er zorg voor dragen dat het (domicilie)geschil aanhangig wordt gemaakt.

Naar het oordeel van de Raad vloeit uit de wettelijke systematiek en het samenstel van deze bepalingen voort dat slechts een gemeentebestuur bevoegd is een ingediende bijstandsaanvraag over eenzelfde tijdvak of voor dezelfde kosten inhoudelijk te beoordelen, zodat door een belanghebbende terzake ook slechts jegens dat gemeentebestuur aanspraken geldend kunnen worden gemaakt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de Raad af dat appellant ter voldoening van de nota van 15 november 2002 (€ 880,79) destijds, toen hij nog in Duivendrecht woonde, bij de gemeente Ouder-Amstel een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Vaststaat dat deze aanvraag niet naar het College is doorgezonden. Niet bekend is of appellant tegen het besluit op die aanvraag (of het uitblijven daarvan) een rechtsmiddel heeft ingediend. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het College niet bevoegd was de aanvraag om bijzondere bijstand in behandeling te nemen. De rechtbank heeft weliswaar onderkend dat appellant terzake van dezelfde kosten eerder een aanvraag bij de gemeente Ouder-Amstel heeft ingediend, maar heeft hieraan ten onrechte de conclusie verbonden dat de ingediende aanvraag niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep in zoverre gegrond verklaren, besluit 2 vernietigen, en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het besluit van 5 januari 2004 herroepen en het College onbevoegd verklaren terzake van de aanvraag van 22 december 2003.



Verzekeringspremie en wegenbelasting motor

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover deze of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige kosten in beginsel moeten worden gerekend tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin uit het inkomen op bijstandsniveau door middel van reservering of gespreide betaling dient te worden voorzien. Voor afzonderlijke (bijzondere) bijstandsverlening is geen plaats nu de betreffende kosten niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wwb. Daarbij heeft het College terecht van betekenis geacht dat appellant de motor ten tijde in geding niet nodig had voor zijn woon- en werkverkeer. De Raad laat dan nog daar dat de betreffende kosten dateren uit een periode van (ruim) voor de datum van aanvraag.



Slotoverwegingen

Gelet op het vorenstaande is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de besluiten 1 en 2;
Verklaart het beroep tegen besluit 1 ongegrond;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;
Vernietigt besluit 2;
Herroept het primaire besluit van 5 januari 2004;
Verklaart het College onbevoegd om de aanvraag van 22 december 2003 in behandeling te nemen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het overige;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-- te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 103,-- vergoedt;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x