Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY3914
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Kon de gemeente het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen in redelijkheid afwijzen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3983 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2005, 04/3776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Bakker, rechtskundig adviseur te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2005. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P. van der Pols, werkzaam bij de gemeente Spijkenisse.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt al geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). Bij brief van 29 maart 2004 heeft de gemachtigde van appellant het College verzocht appellant ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Wwb ontheffing te verlenen van in artikel 9, eerste lid, van de Wwb neergelegde verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling.

Bij besluit van 29 april 2004 heeft het College dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het College het tegen het besluit van 29 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College in de eerste plaats overwogen dat op het verzoek van appellant de artikelen 107 en 113 van de Algemene bijstandswet (Abw) nog moeten worden toegepast, aangezien artikel 9 van de Wwb pas met ingang van 1 januari 2005 in werking treedt. Aan dit besluit is verder ten grondslag gelegd dat zich in de situatie van appellant geen medische of sociale omstandigheden voordoen en evenmin redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand aanwezig zijn op grond waarvan ontheffing van de arbeidsverplichtingen zou kunnen worden verleend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, kon op zijn verzoek om ontheffing artikel 9 van de Wwb niet worden toegepast, aangezien deze bepaling pas met ingang van 1 januari 2005 in werking is getreden. Ten tijde hier van belang golden ingevolge de regelgeving betreffende de invoering van de Wwb en het vervallen van de Abw onder meer nog de artikelen 107 en 113 van de Abw. In het besluit van 9 november 2004 heeft het College derhalve terecht die bepalingen toegepast. Dat appellant zijn verzoek om ontheffing heeft gebaseerd op artikel 9, tweede lid, van de Wwb kan daaraan niet afdoen.

In artikel 113, eerste lid, van de Abw zijn de verplichtingen opgenomen welke gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige bestaansvoorziening is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking.

Artikel 107, eerste lid, van de Abw biedt de mogelijkheid de verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid niet op te leggen dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.

De Raad is, gelet op de bewoordingen van de hiervoor vermelde brief van 29 maart 2004, van oordeel dat het College de daarin vervatte aanvraag op goede gronden - zoals nader toegelicht in het verweerschrift - heeft beschouwd als een verzoek om algehele ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Appellant beoogde immers in algemene zin met dat verzoek te voorkomen dat hij verplicht zou worden om werkzaamheden in loondienst te accepteren dan wel dat andere verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid op hem zouden komen te rusten, in het geval deze in de weg zouden (kunnen) staan aan vervulling van zijn wens tot vestiging als zelfstandig fotograaf, in welke richting hij laatstelijk was opgeleid.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van appellant geen sprake is van redenen - in de zin van de zojuist genoemde bepaling - op grond waarvan tot het verlenen van een ontheffing zou kunnen worden overgegaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet is gebleken dat appellant om medische of sociale redenen niet in staat is tot het verrichten van arbeid in dienstbetrekking. Van de zijde van appellant is ter zitting ook gesteld dat hij kan en wil werken. Appellant stelt zich evenwel op het standpunt dat hij geen kans maakt op de arbeidsmarkt en dat in de praktijk al is gebleken dat werkgevers hem geen serieuze kans willen geven. Hierin kan echter geen aanleiding worden gevonden voor het verlenen van een ontheffing. Het enkele feit dat appellant ver afstaat van de arbeidsmarkt is daartoe onvoldoende. In dit verband is mede van belang dat het College beschikt over instrumenten om belanghebbende naar de arbeidsmarkt toe te leiden. Het College heeft, zo blijkt uit de gedingstukken, die instrumenten ook in de situatie van appellant aangewend, onder meer door appellant aan te melden bij een reÔntegratiebureau, in welk kader voor appellant een trajectplan is opgesteld.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat, zo begrijpt de Raad, handhaving van de arbeidsverplichtingen niet goed valt te rijmen met het door het College hangende de onderhavige procedure reeds gestarte onderzoek naar de vraag of aan appellant een zogenoemde voorbereidingsperiode in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) dient te worden gegeven, zulks met het oog op de uitoefening van het zelfstandig beroep van fotograaf. Een dergelijk onderzoek is immers in eerste instantie slechts gericht op de vraag of het starten van een bedrijf of zelfstandig beroep voor de belanghebbende een reŽle optie is. Als die vraag in positieve zin is beantwoord en het College de belanghebbende vervolgens toestaat zich op zelfstandige arbeid voor te bereiden, gelden gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden de arbeidsverplichtingen niet. Die situatie doet zich hier niet voor. De Raad verwijst op dit punt verder naar zijn uitspraak van heden in het geding tussen partijen met procedurenummer 06/217 WWB.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het College het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 9 november 2004, waarbij de afwijzing van het verzoek is gehandhaafd, dan ook terecht ongegrond verklaard.

Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C.van Viegen en W.I. Degeling als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x