Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY4824
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen bevredigende verklaring voor stortingen en opnames. Schending van de inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1377 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 januari 2005, 04/320 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College).

Datum uitspraak: 20 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P. Winkens, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, kantoorgenoot van mr. Winkens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet, werkzaam bij de gemeente Heerlen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant ontving vanaf 1 mei 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij een heronderzoek in juni 2003 is, voor zover thans van belang, gebleken dat appellant in de periode van 1 februari 2002 tot en met 2 juni 2003 geregeld geldbedragen op zijn girorekening heeft gestort van gemiddeld ruim Ä 1.100,-- per maand en ook geregeld aanzienlijke geldbedragen van zijn rekening heeft opgenomen. Daardoor ontstond bij het College het vermoeden dat appellant beschikte over een of meer verzwegen inkomstenbronnen. Omdat appellant voor de stortingen en opnames geen bevredigende verklaring kon geven, is het College tot de conclusie gekomen dat het recht op bijstand van appellant als gevolg van schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting niet kon worden vastgesteld. Op die grond heeft het College bij besluit van 18 september 2003 het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 mei 2003 ingetrokken.

Appellant heeft tegen het besluit van 18 september 2003 bezwaar gemaakt bij op 28 oktober 2003 bij het College ingekomen bezwaarschrift.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, het College bij het besluit van 20 januari 2004 terecht toepassing heeft gegeven aan de Abw.

De Raad is vervolgens van oordeel dat de in geding gebrachte afschriften van de girorekening van appellant bij de Postbank, welke betrekking hebben op nagenoeg de gehele periode van 10 januari 2002 tot en met 9 juni 2003, het vermoeden rechtvaardigen dat appellant gedurende deze periode nog over een of meer andere inkomstenbronnen beschikte dan alleen de bijstandsuitkering, die in deze periode Ä 732,92 tot Ä 760,26 per maand bedroeg. Het ligt op de weg van appellant om dit vermoeden, dat immers is ontstaan als gevolg van zijn handelen, desgevraagd aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens te ontkrachten.

De verklaringen die appellant voor zijn financiŽle transacties heeft gegeven, zijn niet eenduidig. Aanvankelijk heeft appellant gesteld dat het zou gaan om gokopbrengsten, dan wel leningen aan vrienden en bekenden. Volgens de verklaringen van appellant in het verdere verloop van de procedure zou het hoofdzakelijk gaan om leningen aan familieleden en bekenden. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat het kortdurende leningen betrof die appellant telkens kort na de ontvangst van zijn maandelijkse uitkering zou hebben verstrekt aan personen die, in afwachting van hun loon of uitkering, tijdelijk in geldnood zaten. De door appellant ter onderbouwing van deze stelling in het geding gebrachte verklaringen van familieleden en bekenden hebben de Raad niet kunnen overtuigen. Nog daargelaten dat daarmee niet alle opnames en stortingen kunnen worden verklaard, betreft het achteraf opgestelde (standaard)verklaringen die, nu de beweerde transacties steeds per kas zouden zijn verricht, niet kunnen worden geverifieerd. Appellant heeft het vermoeden van het bestaan van een of meer andere inkomstenbronnen met de door hem daarvoor gegeven verklaringen dan ook niet kunnen ontkrachten. De Raad acht het voorts, gelet op de omvang van de geldstromen, niet aannemelijk dat appellant als kredietverlener kon fungeren zonder te beschikken over andere financiŽle middelen dan uitsluitend de uitkering. Appellant heeft er ook nog op gewezen dat hij een afkoopsom van zijn verhuurder heeft ontvangen. Het daarmee gemoeide bedrag is echter niet zodanig hoog dat het de middelen waarover appellant kennelijk kon beschikken, kan verklaren.

Gelet op het vorenstaande moet worden vastgesteld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn financiŽle situatie in de in geding zijnde periode. De Raad is daarom, met de rechtbank, van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw vervatte inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zodat het College gehouden was tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet ook de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.G. Treffers en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x