Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY4834
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van inkomsten en vermogen. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is ten onrechte geconcludeerd dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4919 WWB en 05/4920 WWB




U I T S P R A A K



  
op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juli 2005, 05/242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.





I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006. Appellanten noch hun gemachtigde zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten hebben op 20 april 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) ingediend.

In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft het College appellanten verscheidene malen verzocht aanvullende gegevens te verstrekken. Het betrof - samengevat en voor zover hier van belang - verifieerbare bewijsstukken omtrent (de waarde van) een Mercedes, verifieerbare bewijsstukken van de besteding van een bedrag van DM 50.000,-- en verifieerbaar bewijs dat de storting van een bedrag van f 15.000,-- door appellant op de bankrekening van zijn moeder de terugbetaling van een lening betrof.

Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het College de aanvraag van appellanten afgewezen. Aan die afwijzing heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 januari 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge achtereenvolgens artikel 65, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de Wwb moet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Uit de gedingstukken blijkt, en ook niet in geschil is, dat de Mercedes reeds op 4 oktober 2001 op naam van de zoon van appellanten stond. In die tenaamstelling is geen wijziging opgetreden tot 6 april 2004, de datum waarop de auto is verkocht. Deze auto behoorde ten tijde in geding dan ook niet tot het vermogen van appellanten. Voorts is van de kant van appellanten informatie verstrekt over de verkoop van deze auto en over de waarde van de auto. Van een schending van de inlichtingenverplichting is in zoverre dan ook geen sprake.

Uit de gedingstukken blijkt voorts, en dat is evenmin in geschil, dat door appellant op 5 december 2001 een bedrag van f 15.000,-- op de bankrekening van zijn moeder is gestort. Dit bedrag behoorde aldus al geruime tijd niet meer tot het vermogen van appellant(en).Voorts hebben appellanten inlichtingen verstrekt over de reden van deze storting. Van een schending van de inlichtingenverplichting is ook in zoverre geen sprake.

Van het schenden van de inlichtingenverplichting door appellanten is naar het oordeel van de Raad wl sprake ten aanzien van de besteding van het door de Koninklijke Marechaussee op Schiphol op 5 december 2001 bij appellanten aangetroffen bedrag van DM 50.000,--. Daartoe overweegt de Raad dat de ter zake door appellanten afgelegde verklaringen niet zijn onderbouwd aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens terwijl de afgelegde verklaringen bovendien innerlijk tegenstrijdig zijn.

Ter zitting van de Raad is komen vast te staan dat de gemeente Venlo ten tijde in geding jegens appellanten een vordering van 42.000,-- 43.000,-- had. Dat betekent dat, indien het College wegens het ontbreken van de nodige duidelijkheid over de besteding van het bedrag van DM 50.000, -- er vanuit zou gaan dat appellanten nog over dit bedrag beschikten dan wel - rekening houdend met intering van dit bedrag in verband met de voorziening in het levensonderhoud van appellanten - over een lager bedrag, het College dat bedrag nog zou dienen te salderen met het bedrag van de schuld aan de gemeente Venlo.

Vast staat dat de inkomsten die appellante genoot uit haar werkzaamheden voor ACS Schoonmaakbedrijf minder bedroegen dan de voor appellanten geldende bijstandsnorm. In de gedingstukken zijn geen concrete aanwijzingen aangetroffen voor door appellanten verzwegen andere inkomsten.
Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College op basis van de voorhanden zijnde gegevens ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het besluit van 11 januari 2005, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, berust niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daaruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 11 januari 2005 dient te worden vernietigd. De Raad zal voorts bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op 644,-- in beroep en op 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 11 januari 2005;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van 966,--, te betalen door de gemeente Venlo;
Bepaalt dat de gemeente Venlo aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jrg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. Jrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x