Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY4956
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is op goede gronden de verplichting opgelegd om psychologische hulp in te roepen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3330 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 april 2005, 04/1889 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T.J.A. Iding, advocaat te Kerkrade, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 6 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.C.W. Sterk, werkzaam bij de gemeente Kerkrade. Betrokkene is verschenen bij haar gemachtigde mr. Iding.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

In het kader van een heronderzoek naar het recht op bijstand heeft de GGD Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD) appellant bij brief van 8 maart 2002 meegedeeld betrokkene voor maximaal vier uur per dag arbeidsgeschikt te achten, rekening houdend met de bij haar vastgestelde medische beperkingen. Vervolgens is betrokkene in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) op verzoek van Maecon medisch onderzocht door de arts H.C.T. Lousberg, verbonden aan Argonaut, die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 13 mei 2003. Lousberg acht betrokkene verminderd belastbaar ten gevolge van neurologische en psychische klachten. Op basis van onder meer het door hem verrichte oriënterend psychisch onderzoek, ziet Lousberg een intake bij een psycholoog of een psychiater als een mogelijkheid tot gedragsmatige interventie. Op afspraken voor een arbeidsdeskundig onderzoek bij Argonaut is betrokkene meerdere malen niet verschenen met als reden dat zij vanwege ziekte niet in staat was naar Argonaut te gaan. Betrokkene is vervolgens op verzoek van Maecon thuis medisch onderzocht door de verzekerings- & bedrijfsarts A.T. Odekerken van Handvat, die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 5 januari 2004. Blijkens dit rapport is de belastbaarheid van betrokkene als gevolg van een reactieve depressie sterk afgenomen en beschikt zij op dit moment niet over duurzaam benutbare mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid. De zorg voor haar eigen huishouden en voor haar dochter vergen zeer veel van haar. Er is met medicamenten nog geen verbetering opgetreden. Odekerken acht een aanvullende psychologische behandeling met een gedragsmatige insteek voor de duur van circa één jaar aangewezen, waarmee een verbetering van de belastbaarheid van betrokkene is te verwachten.

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft appellant in overeenstemming met het advies van Odekerken betrokkene met ingang van 26 januari 2004 voor de duur van een jaar vrijgesteld van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Daarbij heeft appellant met toepassing van artikel 106 van de Abw betrokkene de verplichting opgelegd om - voorzover dit nog niet heeft plaatsgevonden - via haar huisarts psychologische hulp in te roepen.

Bij besluit van 21 september 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 september 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit van 21 september 2004, nu Odekerken zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de mening van de behandelend sector van betrokkene dan wel deze mening onjuist heeft geformuleerd. Het had op de weg van appellant gelegen om bijvoorbeeld door het raadplegen van een andere arts alsnog een deugdelijke basis te verkrijgen voor de conclusie dat betrokkene psychologische hulp nodig heeft om te komen tot een hogere mate van belastbaarheid.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met verwijzing naar de beschrijving van het stelsel van gefaseerde invoering van de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Invoeringswet Wwb (IWwb) in de onderdelen 4.1.2 en 4.1.3 van zijn uitspraak van 6 december 2005 (LJN AU7664), stelt de Raad vast dat appellant ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 28 juni 2004 nog geen besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling Wwb had genomen. Dit betekent dat op grond van artikel 21, eerste lid aanhef en onder b, van de IWwb op het bezwaar dient te worden beslist met toepassing van de doorlopende artikelen 106 en 113 van de Abw. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 9 mei 2006 (LJN AX8589).

Op grond van artikel 106 van de Abw, voorzover van belang, is het college bevoegd naast de verplichtingen, bedoeld in artikel 113 van de Abw, ook andere verplichtingen op te leggen die strekken tot inschakeling in de arbeid. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellant niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om betrokkene de verplichting op te leggen om, via haar huisarts, psychologische hulp in te roepen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de keuringsarts Odekerken daarvoor een toereikende grondslag vormen. Deze arts is tot zijn advies gekomen op basis van dossieronderzoek, waartoe het rapport van de keuringsarts Lousberg behoort, het bij betrokkene thuis verrichte beoordelingsonderzoek op 3 december 2003 en het overleg met de huisarts van betrokkene op 9 december 2003. De Raad is niet gebleken dat het advies van Odekerken wat de wijze van totstandkoming of de inhoud betreft niet deugdelijk is. Mede in aanmerking genomen dat Lousberg en Odekerken op grond van eigen onderzoek tot eenzelfde conclusie zijn gekomen, mocht appellant aan het advies van Odekerken doorslaggevende betekenis toekennen. Met de onderhavige verplichting heeft appellant beoogd te bevorderen dat de medische situatie van betrokkene verbetert, zodat zij uiteindelijk (weer) in de arbeid kan worden ingeschakeld. Uit de door betrokkene in beroep overgelegde verklaringen van de behandelende sector heeft de Raad niet kunnen afleiden dat een psychologische behandeling contrageïndiceerd is.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak derhalve vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als giffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x