Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY4961
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor dieetkosten. Noodzakelijke kosten?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4565 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2005, 05/291 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. I.P.M. Boelens, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006. Voor appellante is verschenen mr. Boelens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. Bergfeld, werkzaam bij de gemeente Zeist.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontvangt sedert 1 juli 1990 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon. Daarnaast ontving zij sedert 28 februari 1996 bijzondere bijstand voor dieetkosten, zijnde de meerkosten voor een energiebeperkt en zoutarm dieet, laatstelijk tot 1 juli 2004 ten bedrage van € 47,48 per maand. Op 2 juni 2004 heeft appellante voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 een aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten ingediend. Bij besluit van 8 juli 2004 heeft het College aan appellante over die periode bijzondere bijstand voor dieetkosten toegekend tot een bedrag van € 18,63 per maand. Hierbij is overwogen dat voor de berekening van de meerkosten is uitgegaan van een andere (door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienstdienst (GGD) gehanteerde) zogeheten KWO-V-tabel dan voorheen, wegens de inmiddels op 19 april 2004 door appellante bereikte leeftijd van 60 jaar.

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2004 gegrond verklaard, in die zin dat het verschil tussen € 47,48 en € 18,63 vanaf 1 juli 2004 in drie viermaandelijkse perioden wordt afgebouwd tot een bedrag van € 18,63 per 1 juli 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 januari 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Kern van het geschil tussen partijen vormt het antwoord op de vraag, of het College de - als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, de Wwb aan te merken - meerkosten van het door appellante gevolgde dieet op goede gronden heeft vastgesteld op een bedrag van € 18,63 per maand.

De Raad stelt vast dat het College zich bij de bepaling van de meerkosten van het door appellante gevolgde dieet heeft gebaseerd op het advies van de GGD van 26 augustus 1999, waarbij is bepaald dat appellante permanent is aangewezen op het betreffende dieet, en waarbij de GGD zich met betrekking tot de meerkosten van dat dieet heeft aangesloten bij een KWO-V-lijst uit 1994. Een uitgangspunt van deze KWO-V-lijst is dat personen van 60 jaar of ouder vaker te maken hebben met een dieet, en dat de energiebehoefte van deze personen lager is, waardoor zij minder eten en de dieetkosten lager zijn.

De Raad stelt vast dat het besluit van 8 juli 2004 niet berust op een recent advies van de GGD. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de KWO-V-lijst dateert uit 1994, had naar het oordeel van de Raad nadere beoordeling en advisering ter zake van de meerkosten van het dieet moeten plaatsvinden alvorens dat besluit te nemen. Nu dit is nagelaten, is het besluit van 12 januari 2005, waarbij het besluit van 8 juli 2004 is gehandhaafd, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen, hetgeen door de rechtszaak niet is onderkend.

Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 januari 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2004 met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 12 januari 2005;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Zeist;
Bepaalt dat de gemeente Zeist aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x