Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY4965
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstandsuitkering en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Toepasselijk recht.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3021 BZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 april 2005, 04/1376 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: het College).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. N.H.G. Beltman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beltman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van het College van 16 september 2003 is aan appellant met ingang van 22 april 2003 een recht op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft het College appellant de mogelijkheid geboden zich gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden voor te bereiden op de start van een bedrijf. Appellant heeft vervolgens onder begeleiding van adviesbureau Startpunt een ondernemingsplan opgesteld.

Op 14 januari 2004 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand voor levensonderhoud en voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal voor een door hem te starten CD-maatschappij, genaamd [naam maatschappij].

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College aan Elders Consultancy (hierna: Elders) advies gevraagd omtrent de levensvatbaarheid van de onderneming van appellant, welk advies op 5 april 2004 is uitgebracht. Elders heeft onder meer gebruik gemaakt van het ondernemingsplan van appellant. Elders heeft het taakstellend omzetniveau voor het bedrijf van appellant berekend op Ä 106.000,--. Hij verwacht niet, gelet op de inzakkende CD-markt en op de positionering van het bedrijf in die markt, het gebrek aan ervaring bij appellant en het ontbreken van intentieverklaringen van artiesten, dat appellant dit niveau zonder meer zal kunnen realiseren. De conclusie van Elders is dat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Elders heeft, nadat hij appellant in de gelegenheid heeft gesteld op het rapport te reageren, het College geadviseerd de aanvraag af te wijzen.

Bij besluit van 7 april 2004 heeft het College, overeenkomstig het advies van elders, de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat zijn bedrijf niet levensvatbaar is.

Bij besluit van 2 juli 2004 heeft het College, gehoord de Bezwaarschriftencommissie Zelfstandigen, het tegen het besluit van 7 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 juli 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Het toepasselijke recht

Met ingang van 1 januari 2004 zijn de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb) in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. In de Wwb zijn, anders dan in de Abw, geen bepalingen opgenomen met betrekking tot zelfstandigen.

Ingevolge artikel 7 van de IWwb worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van de Wwb aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 77, en de paragrafen 4.2, 6.1, 6.4 en 7.1 van die wet.

Op 1 januari 2004 is het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (besluit van 10 oktober 2003, Stb. 390, hierna: Bbz) in werking getreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz kan algemene bijstand worden verleend aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Bbz kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.

Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan.



De afwijzing van de aanvraag

Beoordeeld dient te worden of het College op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar was.

Het College heeft de (handhaving van de) afwijzing van de aanvraag gebaseerd op de adviezen van Elders en de Bezwaarschriftencommissie Zelfstandigen. Appellant heeft deze adviezen bestreden. Hij acht in het bijzonder de gehanteerde argumentatie betreffende de inzakkende markt en over zijn kansen op afzet te zeer gericht op grote maatschappijen, terwijl er in de markt nog steeds kleine platenmaatschappijen zoals zijn bedrijf ontstaan. Verder bestrijdt hij dat hij onvoldoende ervaring op dit terrein heeft en dat hij over onvoldoende contacten met artiesten beschikt. Appellant verwacht dat hij de omzet overeenkomstig de taakstellende begroting zal kunnen halen.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken echter geen objectieve gegevens aangetroffen die de stellingen van appellant ondersteunen. Met name ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van de stelling dat sprake is van reŽle marktmogelijkheden die voldoende omzet zullen genereren. In dat verband heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat niet is gebleken van concrete afspraken met artiesten over samenwerking en/of met afnemers van de producten van het bedrijf van appellant. Appellant erkent ook, zo blijkt uit het hoger beroepschrift en uit het verhandelde ter zitting van de Raad, dat er geen betrouwbare consumptieve gegevens voorhanden zijn en dat ook anderszins in de startfase van zijn bedrijf niet goed onderbouwd kan worden op welke wijze en tot welk niveau de omzet kan worden verkregen. Zoals de Raad meermalen heeft uitgesproken zijn louter eigen verwachtingen omtrent de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid evenwel onvoldoende basis voor het toekennen van bijstand ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal. Gelet op het voorgaande is voor de Raad niet aannemelijk geworden dat appellant - ook op termijn - zowel in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien als aan de financiŽle verplichtingen voortvloeiende uit zijn bedrijfsactiviteiten zal kunnen voldoen.

De Raad komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat het College zich bij zijn besluitvorming heeft kunnen en mogen baseren op de adviezen van elders en de Bezwaarschriftencommissie Zelfstandigen en dat het College zich derhalve terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz. De afwijzing van de aanvraag van 14 januari 2004 is dan ook terecht op die grond gehandhaafd.

Dat, zoals in hoger beroep door appellant nog naar voren is gebracht, inmiddels vijf artiesten interesse kenbaar hebben gemaakt voor samenwerking met zijn bedrijf, kan aan het vorenstaande niet afdoen. Nog daargelaten dat daarbij niet is gebleken van een concreet zicht op contractuele samenwerking en dat evenmin enige prognose is gegeven omtrent de financiŽle consequenties van de (eventuele) samenwerking met deze artiesten voor het bedrijf van appellant, is voor de beoordeling van de afwijzing van de aanvraag naar vaste rechtspraak de situatie ten tijde van het primaire besluit van 7 april 2004 bepalend.



Slot

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. JŲrg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. JŲrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x