Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wwb
x
LJN:
x
AY6084
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening omdat een spoedeisend belang ontbreekt.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 06/3796 WWB VV




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2006, 06/2162 en 06/2163 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens verzoekster heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster heeft mr. Ramdas tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het College heeft desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2006. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.K. Ramdas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.K. Man, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Op 14 juni 2005 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wwb.

Het College heeft die aanvraag bij besluit van 24 juni 2005 afgewezen. Het College heeft daarbij overwogen dat verzoekster voorafgaande aan de aanvraag gerekend over een ononderbroken periode van 60 maanden een vermogen heeft gehad dat hoger lag dan de voor haar geldende vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Wwb.

Bij besluit van 24 april 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 april 2006 ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

In het verzoekschrift is namens appellante - samengevat - aangevoerd dat het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening daarin is gelegen dat verzoekster in een financiŽle noodtoestand verkeert. Zij gaat schulden aan omdat zij niet beschikt over voldoende middelen om in alle noodzakelijke kosten van haar bestaan te voorzien.

De voorzieningenrechter acht in hetgeen namens appellante is aangevoerd onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Zoals blijkt uit de door het College toegezonden informatie ontvangt verzoekster sedert 1 april 2005 algemene bijstand naar de voor haar geldende norm voor alleenstaande zonder inhoudingen. Voorts is de voorzieningenrechter noch uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting gebleken dat er momenteel voor verzoekster bedreigende schulden zijn. Van een financiŽle noodsituatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.

Aangezien de voorzieningenrechter ook anderszins niet is gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat een behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.
  
(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wwb | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x