Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT0970
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is niet langer ongeschikt voor het verrichten van zijn arbeid als koerier.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2414 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 25 maart 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank ís-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 29 april 2003 (AWB 02/946 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 oktober 2003 heeft appellant de Raad nog stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant is op 6 juni 2001 wegens psychische klachten ongeschikt geworden voor zijn werk als oproepkracht bij een koeriersdienst. Naar aanleiding hiervan is hem ziekengeld toegekend. Dit koerierswerk, dat hij drie avonden per week voor 2 tot 3 uur per avond verrichtte, heeft appellant een aantal jaren gecombineerd met zijn volledige betrekking overdag in administratief werk. Dit laatste dienstverband is per 1 december 2001 beŽindigd.

Terzake van het onderhavige ziektegeval heeft appellant, die in het verleden een dotterbehandeling heeft ondergaan, verschillende keren het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Blijkens het afschrift medische kaart heeft deze op het spreekuur van 10 oktober 2001 vastgesteld dat het met appellant na een opname in het herstellingsoord ďMutsaersoordĒ, die van 9 juli 2001 tot 30 september 2001 duurde, wat beter ging maar dat nog wel sprake was van surmenage en vermoeidheid. Op het spreekuur van 19 februari 2002 heeft de betrokken verzekeringsarts uiteindelijk geconstateerd dat appellant, ondanks veel spanningen, geen beperkingen meer had die hem ongeschikt maakten voor zijn werk als koerier. Appellant is vervolgens met ingang van 25 februari 2002 hersteld verklaard.

Bij besluit van 22 februari 2002 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 25 februari 2002 geen ziekengeld meer toegekend.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding hiervan op 22 maart 2002 gezien door een bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft kennis genomen van de beschikbare medische gegevens, waaronder een onderzoeksverslag van vorenbedoelde opname, en na onderzoek van appellant geconcludeerd dat appellants vermoeidheidsklachten niet zodanig waren dat hij zijn werk als koerier in de avonduren niet zou kunnen verrichten.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit van 22 februari 2002 dan ook ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een andersluidend oordeel. Uit de door de betrokken verzekeringsartsen opgestelde rapporten blijkt dat deze een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de aard en de ernst van appellants klachten. In aanmerking genomen dat deze artsen kennis hebben genomen van de rapportage van voormeld herstellingsoord, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de conclusie, dat appellant niet langer ongeschikt was voor zijn koerierswerk, op onverantwoorde wijze is tot stand gekomen. De Raad merkt hierbij nog op dat appellants administratieve betrekking overdag ten tijde in geding na een reorganisatie definitief was beŽindigd, zodat met eventueel uit dit werk voortvloeiende belastende elementen voor de beoordeling in dit geding geen rekening hoeft te worden gehouden. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde rapporten van Argonaut B.V. van 30 januari 2003 en 1 september 2003 is weliswaar af te leiden dat appellant niet dan wel slechts ten dele zou kunnen werken op de reguliere arbeidsmarkt en aangewezen zou zijn op werk in beschutte omstandigheden, maar de Raad ziet geen aanwijzingen dat dit ook geldt voor de hier in geding zijnde datum.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x