Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT2699
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene verschijnt per vergissing voor controle op een verkeerde locatie van het GAK. Korting op ziekengelduitkering. Is er sprake van verwijtbaarheid?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1368 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 29 oktober 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het: bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 7 februari 2003 (Awb 01/993 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief van 12 oktober 2004 nog nadere inlichtingen verstrekt.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 9 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak als volgt zijn weergegeven (appellant en gedaagde zijn daarbij aangeduid als eiser en verweerder):
"Eiser, geboren op 15 juni 1976, ontvangt in verband met zijn arbeidsongeschiktheid sedert 19 juli 2001 (lees: 19 juli 2000) een uitkering ingevolge de ZW. In verband met die ongeschiktheid werd eiser door de verzekeringsarts ongeveer 4 á 5 keer opgeroepen om voor controle te verschijnen op het GAK-kantoor te Winschoten.
Bij brief van 15 mei 2001 is eiser ter beoordeling van zijn ongeschiktheid wederom opgeroepen om op 22 mei 2001 om 13.15 uur te verschijnen bij de verzekeringsarts V. Rama, op het adres GAK Nederland bv te Groningen. Eiser verscheen echter op het bewuste tijdstip niet in Groningen, doch op het GAK-kantoor te Winschoten.
In verband hiermee heeft verweerder op 30 mei 2001 besloten tot een korting van 5% op de ziekengelduitkering gedurende de periode van 22 mei 2001 tot en met 16 juli 2001 (8 weken) onder toepassing van artikel 45 van de ZW en het Maatregelenbesluit ex artikel 45, lid 6, van de ZW. Dit op grond dat eiser door niet op het spreekuur van de verzekeringsarts in Groningen te verschijnen, zich niet, althans niet behoorlijk, heeft gehouden aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW en zich heeft schuldig gemaakt aan nalatigheid. Verweerder heeft bij de vaststelling van de maatregel rekening gehouden met een verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 5 van het Maatregelenbesluit en een korting van 5 in plaats van 10% op de ziekengelduitkering toegepast.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder die beslissing na bezwaar gehandhaafd."

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij - kort samengevat - overwogen dat niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid aan het adres van appellant ontbreekt, op grond waarvan gedaagde ingevolge het tweede lid van artikel 45 van de ZW van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. Gezien de voorliggende omstandigheden heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen vaststellen dat de gedraging van appellant, bestaande in de vergissing in de locatie van het spreekuuronderzoek, in verminderde mate verwijtbaar was zodat hier gelet op artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit Tica, de hoogte van de maatregel terecht is vastgesteld op 5% gedurende 8 weken.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Dat bij appellant sprake was van een vergissing neemt niet weg dat hij daardoor zonder deugdelijke grond niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts in Groningen op 22 mei 2001. Dat appellant na zijn vergissing te hebben ontdekt een coöperatieve houding heeft aangenomen en heeft geprobeerd terstond een nieuwe afspraak te maken, betekent niet dat hier elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gedaagde heeft appellants gedraging naar het oordeel van de Raad op goede gronden aangemerkt als verminderd verwijtbaar in de zin van voormelde bepaling van het Maatregelenbesluit Tica.

De grieven van appellant treffen dan ook geen doel.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x