Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT3683
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Behandeling van de zaak buiten zitting. Strijd met een goede procesorde. Intrekking van het ziekengeld omdat betrokkene geschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3117 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 7 augustus 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW)

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 juni 2003 (ZW 02/2348) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. W.G. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad ziet in dit geding aanleiding om in de eerste plaats te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen.

Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank van 23 april 2003 blijkt dat de gemachtigde van appellante daar stukken heeft overgelegd en dat partijen bij die gelegenheid ermee hebben ingestemd, dat na een wederzijdse reactie op de ingebrachte commentaren, nader onderzoek ter zitting achterwege kon blijven.

In een brief van 1 mei 2003 heeft gedaagde met inzending van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 29 april 2003 gereageerd op het door de gemachtigde van appellante ingebrachte stuk. Tevens is toen nogmaals ingestemd met afhandeling van de zaak zonder nadere behandeling ter zitting.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 15 mei 2003 gereageerd op het van de zijde van gedaagde geleverde commentaar. Daarbij is ook nog een aantal stukken overgelegd, waaronder een verklaring van neuroloog J.C.B. Verhey van 2 mei 2003.

Vervolgens heeft de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak gedaan.

De Raad is van oordeel dat deze behandeling van het geding in eerste aanleg in strijd is met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is aan de rechtbank de bevoegdheid verleend te bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.
Zoals de Raad bij herhaling heeft beslist, is het in strijd met een goede procesorde om, ingeval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk, indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.
Dat is blijkens het vorenstaande niet gebeurd.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, moet worden vernietigd.
Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

Wat de zaak ten gronde betreft overweegt de Raad het volgende.

De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in de aangevallen uitspraak als volgt zijn weergegeven (appellante is daarbij aangeduid als eiseres):

"Eiseres is vanaf 2 oktober 2001 via uitzendbureau Full-Time B.V. werkzaam geweest als medewerkster in een visfabriek (werkzaamheden: vis fileren en schoonmaken) in een werkweek van 5 x 5.5 uur. Zij heeft zich op 28 november 2001 ziek gemeld wegens hoofdpijn-, rug- en beenklachten.

Eiseres is laatstelijk op 29 mei 2002 door de verzekeringsarts onderzocht. Naar aanleiding hiervan en mede op basis van informatie van de behandelend neuroloog is eiseres bij het primaire besluit met ingang van 30 mei 2002 weer geschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

In het kader van de bezwaarprocedure is eiseres op 6 augustus 2002 onderzocht door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink. Op basis van anamnese, het verrichte onderzoek en dossierstudie heeft deze arts geconcludeerd dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts, inhoudende dat eiseres per omstreden datum geschikt is bevonden tot het verrichten van haar werk."

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is hun beoordeling zorgvuldig geschied, immers mede gebaseerd op informatie van de behandelend sector. Wat betreft het door de gemachtigde van appellante in eerste aanleg overgelegde rapport van
4 september 2002 van het Instituut Psychosofia heeft de rechtbank verwezen naar de inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad inzake de aan een dergelijk rapport toe te kennen betekenis.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, wijst de Raad er op dat op het afschrift van de medische kaart melding is gemaakt van de door de behandelend neuroloog J.C.B. Verhey in een brief van 4 april 2002 vermelde diagnose: spanningshoofdpijn en sacro iliac strain.
Verder wijst de Raad er nogmaals op dat bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink in een commentaar van 6 augustus 2002 en 29 april 2003 uitvoerig aandacht heeft besteed aan de beschikbare gegevens van de behandelend sector. Met de bekende klachten, spanningshoofdpijn en sacro iliac strain, is rekening gehouden en de Raad ziet geen reden voor twijfel aan de conclusie dat appellante met inachtneming hiervan ten tijde in geding niet ongeschikt was voor haar werk.
De bezwaarverzekeringsarts heeft verder in het rapport van 29 april 2003 opgemerkt dat bij de aan appellante voorgeschreven medicatie geen sprake is van een rode stikker, waarbij is aangegeven dat bepaalde handelingen niet mogen worden verricht
De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Op grond van het vorenstaande moet worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x