Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT3854
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ZW-uitkering omdat betrokkene op en na de datum in geding niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4279 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 2 juli 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 15 juli 2003 (02/894 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. R. Raap, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Noord te Groningen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellants gemachtigde heeft de Raad nog stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is laatstelijk tot eind november 2001 als steller/stamper werkzaam geweest bij Philips Domestic Appliances and Personal Care BV te Drachten. Na het einde van dit dienstverband heeft hij zich per 1 december 2001 wegens rugklachten ziek gemeld.

Terzake van dit ziektegeval heeft appellant op 22 mei 2002 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die bij onderzoek een soepele, niet drukpijnlijke rugmusculatuur constateerde en appellant hersteld verklaarde voor zijn werk.

Bij besluit van 24 mei 2002 is aan gedaagde met ingang van 25 mei 2002 geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer toegekend, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts A.J.M. Vellinga, die bij onderzoek, behoudens een zeer matige houding en gedragsmatige aspecten, geen duidelijke afwijkingen vaststelde en zich verenigde met de primaire medische beoordeling.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit van 24 mei 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het ten behoeve van de gedingvoering in eerste aanleg uitgebrachte rapport van 12 maart 2003 van dr. J. Rijnks, orthopedisch chirurg te Leeuwarden. Deze deskundige heeft bij onderzoek van appellant geen afwijkingen gevonden, die het opleggen van beperkingen rechtvaardigen. Gelet op het somatisch onderzoek achtte de deskundige appellant geschikt tot het verrichten van zijn arbeid.
Wel onderkende de deskundige mogelijk een psychologische problematiek.
Hij achtte onderzoek door een fysiotherapeut/arbeidsdeskundige en/of psycholoog aanbevelenswaardig.
De rechtbank heeft aan deze suggestie geen betekenis toegekend, omdat het hier veeleer zou gaan om een aanbeveling met het oog op reļntegratie.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De in hoger beroep overgelegde verklaring van 4 juli 2003 van orthopedisch chirurg C.L. de Ridder inzake een vastgestelde centrale hernia vormt voor de Raad geen reden voor een andersluidend oordeel. De Raad wijst in dit verband op het commentaar van 30 september 2003 van bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms, die heeft aangegeven dat hier sprake is van een mediale hernia die geen uitstralingsklachten geeft.

Ook in de nader ingebrachte stukken van het Centrum voor Revalidatie te Beesterzwaag, waarin sprake is van functionele rugklachten zonder aanwijsbare oorzaak, ziet de Raad geen reden om de conclusie van voornoemde deskundige niet te volgen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x