Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW / WAO
x
LJN:
x
AT5216
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Geen toename van de medische beperkingen. Als maatstaf voor de arbeid gelden de laatstelijk voor de ziekmelding in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3861 ZW en 03/3862 WAO




U I T S P R A A K




In de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 15 mei 2002 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (besluit 1).

Bij brief van 15 mei 2002 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (besluit 2).

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 18 juni 2003 (AWB 02/569 WAO; uitspraak 1) het beroep tegen besluit 1 en bij uitspraak van eveneens 18 juni 2003 (AWB 02/568 ZW; uitspraak 2) het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard en bij deze uitspraken onderscheidenlijk de besluiten 1 en 2 vernietigd met beslissing omtrent proceskosten en griffierecht.
Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft L. Hibma te Leens een verweerschrift ingediend en nadien brieven van 17 en 24 januari 2005 ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 2005, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door L. Hibma, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft op 24 maart 1997 wegens medische klachten zijn toenmalige arbeid als lasser definitief gestaakt. Na het verstrijken van de in artikel 19 van de WAO gestelde wachttijd van 52 weken is aan hem met ingang van 24 september 1997 een WAO-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%. Bij medisch onderzoek door de verzekeringsarts is vastgesteld dat gedaagde beperkingen heeft in verband met huid-, pols- en nekklachten. De arbeidsdeskundige rapporteert dat gedaagde wegens zijn beperkingen ongeschikt is voor de maatmanfunctie van lasser. Gelet op de resterende verdiencapaciteit in geselecteerde functies is het verdienverlies evenwel minder dan 15%. De WAO-uitkering is met ingang van 6 juli 1998 daarom ingetrokken.

Gedaagde is vervolgens op 8 maart 1999 werkzaamheden gaan verrichten als afwashulp.
Hij heeft zich voor deze arbeid ziek gemeld op 10 november 1999. Met ingang van 28 februari 2000 heeft hij deze arbeid definitief gestaakt. Vanwege appellant is in verband daarmee een onderzoek ingesteld naar de toepassing van artikel 43a van de WAO. In verzekeringsgeneeskundig onderzoek is vastgesteld dat sprake is van toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak als aangegeven bij de WAO-schatting per 6 juli 1998. De verzekeringsarts heeft de toegenomen beperkingen vastgelegd in een belastbaarheidspatroon. In arbeidskundig onderzoek is berekend dat, gelet op de verdiencapaciteit in geselecteerde functies, het verdienverlies na het verstrijken van de in artikel 43a van de WAO gestelde wachttijd van 4 weken - per 7 december 1999 - minder dan 15% bedraagt.
Bij besluit van 14 november 2000 is meegedeeld dat op grond van artikel 43a WAO per 7 december 1999 geen WAO-uitkering wordt toegekend.
Appellant heeft tevens onderzocht of gedaagde - gelet op de artikelen 18 en 19 van de WAO - na het verstrijken van de in artikel 19 WAO vermelde wachttijd van 52 weken na het intreden van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking kon komen voor een WAO-uitkering. Het medisch en arbeidskundig onderzoek ter zake heeft geresulteerd in de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid ook na het verstrijken van deze wachttijd per 8 november 2000 minder dan 15% bedroeg.
Bij besluit van 10 november 2000 is dienovereenkomstig mededeling gedaan van de weigering op grond van de artikelen 18 en 19 van WAO-uitkering per 8 november 2000.

In het kader van de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 14 en 10 november 2000 is de belastbaarheid van gedaagde nader bezien. Daarbij is het advies betrokken van de revalidatiearts A. Coster van 11 mei 2000. Deze arts concludeert - na anamnese, onderzoek en aanvullend onderzoek - dat bij gedaagde sprake is van polyarthralgieŽn c.q. polymyalgieŽn e.c.i.
Tevens heeft de psycholoog M.M. Smit in deze procedure van advies gediend. Smit rapporteert op 14 augustus 2000 naar aanleiding van psychologisch onderzoek van gedaagde op 6 en 11 juli 2000 dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een somatisatiestoornis alsmede ernstige depressieve en andere psychische klachten.
In het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is op grond van het lichamelijk en psychisch onderzoek van gedaagde en de uitgebrachte deskundigenrapporten nader vastgesteld dat sprake is van fibromyalgie, status na overbelasting rechterpols, tendomyogene nek- en schouderklachten, steekwond linker pols, overgevoeligheid UV-licht, posttraumatische stressstoornis, somatisering, depressieve episode, persoonlijkheidsstoornis en angststoornis.
Dienovereenkomstig is de belastbaarheid van gedaagde vastgelegd in het formulier Functie-informatiesysteem va/ad (fis-formulier) d.d. 18 januari 2000 voor wat betreft de aspecten 1 tot en met 27 en d.d. 31 mei 2001 voor wat betreft aspect 28. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens het rapport van 10 september 2001 de aspecten 7 en 8 nog nader beperkt geacht. Met betrekking tot het aspect 28, psychisch belastende factoren, is op het fis-formulier vermeld dat gedaagde een beperkt incasseringsvermogen heeft, overzichtelijk gestructureerd werk kan verrichten met een duidelijke taakafbakening en taakomschrijving. Werken onder tijdsdruk is niet voortdurend mogelijk. Verder is gedaagde beperkt geacht met betrekking tot conflicterende functie-eisen en conflicthantering.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 6 maart 2001 gerapporteerd. Hij stelt vast dat gedaagde als een medische "afzakkerĒ dient te worden aangemerkt. De maatmanfunctie is daarom de functie van lasser, die gedaagde tot 24 maart 1997 heeft vervuld. In een brief van 22 januari 2002 wordt aan gedaagde meegedeeld dat in verband met de nader vastgestelde belastbaarheid nieuwe functies zijn geselecteerd. Het betreft onder meer de functies: metaalperser/bediende, zeefdrukker en samensteller. Het verdienverlies in verband met de verdiencapaciteit in deze functies is zowel na het verstrijken van de in artikel 43a WAO gestelde wachttijd van 4 weken per 8 december 1999 als na het verstrijken van de in artikel 19 WAO gestelde wachttijd van 52 weken per 8 november 2000 minder dan 15%.
Bij besluit op bezwaar van 28 maart 2002 is het bezwaar tegen de besluiten van 14 en 10 november 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 juni 2003 het beroep tegen het besluit van 28 maart 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 28 maart 2002 heeft derhalve formele rechtskracht.

Gedaagde heeft zich op 6 september 2001, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens griep, spierpijn en spanningsklachten. De verzekeringsarts J.H.M. Peters heeft blijkens zijn rapport van 3 januari 2002 de medische toestand van gedaagde met het oog op het recht op WAO-uitkering onderzocht. Hij vermeldt in de rapportage de medische voorgeschiedenis van gedaagde en de bevindingen van de revalidatiearts Coster en de psycholoog Smit. Peters heeft voorts de anamnese afgenomen. De verzekeringsarts heeft bij lichamelijk en psychisch onderzoek van gedaagde geen wijzigingen vastgesteld ten opzichte van de per 8 november 2000 vastgelegde belastbaarheid. Hij concludeert dat de belastbaarheid van gedaagde ongewijzigd is.

Bij besluit van 16 januari 2002 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de in artikel 43a van de WAO vermelde wachttijd van 4 weken - per 4 oktober 2001 - minder dan 15% is en dat geen WAO-uitkering wordt toegekend.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M. van der Lugt een onderzoek ingesteld naar de medische toestand van gedaagde. Zij heeft gedaagde zelf onderzocht na de hoorzitting op 27 februari 2002. Tevens heeft zij nadere medische gegevens van de huisarts verkregen. Het betreft brieven en rapportages van de behandelende neuroloog, internist, gastroenteroloog en revalidatiearts alsmede rapportages van de behandelende psycholoog en psychotherapeut, verbonden aan de GGZ te Groningen.
De bezwaarverzekeringsarts stelt vast dat bij haar eigen lichamelijk onderzoek van gedaagde geen duidelijke lichamelijke afwijkingen zijn gebleken. Bij de verschillende specialistische onderzoeken naar de lichamelijke klachten zijn evenmin duidelijke objectiveerbare medische gegevens naar voren gekomen. De betrokken specialisten typeren de klachten als tendomyogeen en het gevolg van spanningsklachten.
De behandelaars van de GGZ stellen bij brief van 25 mei 2001 dat sprake is van een angststoornis. In een brief van 31 januari 2002 wordt gesteld dat er geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld.
De bezwaarverzekeringsarts verenigt zich met het verzekeringsgeneeskundig oordeel van de primaire verzekeringsarts Peters dat er geen sprake is van toename van beperkingen ten opzichte van de per 8 november 2000 vastgestelde belastbaarheid.
Appellant heeft dienovereenkomstig bij besluit 1 meegedeeld dat uit medisch onderzoek is gebleken dat ten opzichte van de beoordeling per 8 november 2000 niet is gebleken van een toename van beperkingen. Gedaagde is daarom terecht per 4 oktober 2001 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht. Het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2002 is ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de ziekmelding van gedaagde per 6 september 2001 heeft appellant tevens een onderzoek ingesteld in verband met de aanspraken van gedaagde op ziekengeld. De verzekeringsarts heeft na onderzoek van gedaagde en beoordeling van de medische gegevens geconcludeerd dat gedaagde nog steeds geschikt is te achten voor de per 8 november 2000 geselecteerde functies.
Bij besluit van 5 februari 2002 heeft appellant meegedeeld dat gedaagde op 31 januari 2002 niet ongeschikt wordt geacht voor het verrichten van zijn arbeid. Gedaagde heeft daarom met ingang van 31 januari 2002 geen recht op ziekengeld. Of gedaagde over de periode van 6 september 2001 tot 31 januari 2002 recht heeft op ziekengeld, laat appellant, zo wordt meegedeeld, in het midden.
De bezwaarverzekeringsarts Van der Lugt heeft blijkens haar rapport van 18 april 2002, op grond van onderzoek, zich verenigd met het medisch oordeel van de primaire verzekeringsarts.
Bij besluit 2 heeft appellant meegedeeld dat gedaagde per 31 januari 2002 geschikt wordt geacht voor zijn arbeid: de per 8 november 2000 geselecteerde functies. Het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2002 is ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak 1 met betrekking tot het WAO-besluit 1 aangegeven dat er, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen reden is de medische beoordeling per 4 oktober 2001 onjuist te achten. De rechtbank overweegt evenwel dat appellant een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 oktober 2001 niet achterwege had mogen laten. Zij heeft op deze grond besluit 1 vernietigd.

Bij uitspraak 2 met betrekking tot het Ziektewetbesluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte met het oog op de aanspraak op ziekengeld per 31 januari 2002 de per 8 november 2000 geselecteerde functies als de maatstaf arbeid heeft aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat ter zake de maatstaf arbeid wordt gevormd door de bij de WAO-schatting per 4 oktober 2001 te duiden functies. Zij heeft daarom besluit 2 vernietigd.

Appellant heeft in hoger beroep de uitspraken 1 en 2 bestreden.
Appellant stelt dat gedaagde ter zake van de op 10 november 1999 aangevangen arbeidsongeschiktheid de in artikel 19 van de WAO bedoelde wachttijd per 8 november 2000 heeft doorlopen.
Ingevolge artikel 43a van de WAO geldt vanaf 8 november 2000 de in dat artikel vermelde periode van vijf jaar.
Appellant wijst voorts op de jurisprudentie van de Raad. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat artikel 43a WAO ziet op toename van de medische beperkingen, resulterend in een toename van de arbeidsbeperkingen. Daarom kan, bij gebreke van de toename van medische beperkingen, de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid achterwege blijven.
In het onderhavige geval is, aldus appellant, het medisch oordeel dat de beperkingen van gedaagde op 4 oktober 2001 ten opzichte van 8 november 2000 niet zijn toegenomen. De rechtbank heeft dit medisch oordeel niet onjuist geacht. Gezien deze gegevens is in verband met de beoordeling van de WAO-aanspraak per 4 oktober 2001 terecht de arbeidskundige beoordeling achterwege gebleven. De rechtbank heeft besluit 1 ten onrechte vernietigd.
Appellant is voorts van oordeel dat de rechtbank bij uitspraak 2 ten onrechte besluit 2 heeft vernietigd.

Gedaagde heeft bij verweer gesteld dat zijn medische beperkingen zodanig zijn dat hij ten tijde in geding ongeschikt is voor het verrichten van elke vorm van arbeid in loondienst.

De Raad overweegt in verband met het WAO-geding als volgt.

Artikel 43a, eerste lid, van de WAO luidt:
Indien degene:
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de in artikel 19 bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt, en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

Uit de hierboven vermelde gegevens blijkt dat gedaagde na het staken van zijn arbeid als lasser met ingang van 24 september 1997 een WAO-uitkering heeft ontvangen. Deze uitkering is met ingang van 6 juli 1998 ingetrokken, omdat gedaagde voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht.
Op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is dat artikel met ingang van 6 juli 1998 op gedaagde van toepassing geworden.
Gedaagde is vervolgens op 8 maart 1999 werkzaamheden als afwashulp gaan verrichten. Hij is voor deze arbeid uitgevallen op 10 november 1999 en heeft deze arbeid definitief gestaakt op 28 februari 2000.
Appellant heeft in verband met deze uitval het recht van gedaagde op een WAO-uitkering op grond van artikel 43a en op grond van artikel 19 van de WAO beoordeeld. In medisch onderzoek is, zoals vermeld, vastgesteld dat de beperkingen van gedaagde zijn toegenomen. Deze ten opzichte van 6 juli 1998 toegenomen beperkingen zijn vastgelegd in het nieuwe belastbaarheidpatroon d.d. 18 januari 2000/31 mei 2001.
In arbeidskundig onderzoek zijn vervolgens de functies metaalperser/bediende, zeefdrukker en samensteller geselecteerd. Het verlies aan verdiencapaciteit is per 7 december 1999 (na de wachttijd ingevolge artikel 43a) en per 8 november 2000 (na de wachttijd ingevolge artikel 19) op minder dan 15% berekend.
Appellant heeft daarom per deze data geen WAO-uitkering aan gedaagde toegekend.
Het desbetreffende besluit op bezwaar van 28 maart 2002 is rechtens onaantastbaar.

Appellant heeft in verband met de ziekmelding van 6 september 2001 de toepassing van artikel 43a WAO wederom onderzocht. Appellant heeft daarbij vastgesteld dat gedaagde per 8 november 2000 de in artikel 19 van de WAO bedoelde wachttijd heeft doorlopen. Op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, is daarom per 8 november 2000 (opnieuw) de in artikel 43a bedoelde periode van vijf jaar in werking getreden.
De Raad verenigt zich, gelet op het bepaalde in artikel 43a, met dat standpunt.
De Raad verenigt zich voorts met het betoog van appellant dat artikel 43a van de WAO ziet op de toename van medische beperkingen, resulterend in de toename van de arbeidsbeperkingen, en dat bij gebreke van een toename van medische beperkingen een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid achterwege kan blijven.
De medische stukken bieden geen aanknopingspunten om het standpunt van appellant dat de belastbaarheid van gedaagde per 4 oktober 2001 ten opzichte van 8 november 2000 ongewijzigd is, onjuist te achten. Het onderzoek van de verzekeringsartsen Peters en Van der Lugt is zorgvuldig te achten. Gedaagde heeft geen medische gegevens in het geding gebracht, die aanleiding vormen te twijfelen aan deze medische beoordeling.
De Raad concludeert dan ook dat appellant terecht stelt dat in het onderhavig geval de arbeidskundige beoordeling achterwege kon blijven. De rechtbank heeft ten onrechte een nadere arbeidskundige beoordeling noodzakelijk geacht. De aangevallen uitspraak 1 dient te worden vernietigd. Besluit 1 dient in rechte in stand te blijven.

De Raad merkt in verband met het Ziektewetgeding op dat volgens zijn jurisprudentie in het geval van gedaagde als maatstaf voor de arbeid gelden de laatstelijk voor de ziekmelding in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies.
Gedaagde heeft zich ziek gemeld per 6 september 2001. Voor die datum zijn met betrekking tot gedaagde per 8 november 2000 onder meer de functies metaalperser/bediende, zeefdrukker en samensteller geselecteerd.
Appellant stelt daarom terecht in besluit 2 dat deze functies de maatstaf voor de arbeid vormen in verband met de beoordeling van de aanspraken ingevolge de Ziektewet per 31 januari 2001. De rechtbank heeft ten onrechte deze functies als maatstaf voor de arbeid afgewezen. Uitspraak 2 dient daarom eveneens te worden vernietigd.
Besluit 2 dient in rechte in stand te blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;
Verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. C.J.W. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x