Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT5444
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-beoordeling. Belastbaarheidsprofiel. Geselecteerde functies. Betrokkene is niet (meer) buiten staat tot het verrichten van de haar eerder voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3432 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen onder dagtekening 25 juni 2003 (reg.nr. 02/840 ZW) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 maart 2005, waar appellante en gedaagde, beiden met (voorafgaand) bericht van verhindering, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats], waar zij op 5 januari 1999 is uitgevallen vanwege schouderklachten en klachten ten gevolge van COPD. Het dienstverband is per 1 juli 1999 beëindigd in het kader van een collectief ontslag wegens faillissement. Per einde wachttijd heeft een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) plaatsgevonden, waarna appellante met ingang van 4 januari 2000 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Op 3 februari 2000 heeft appellante zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens bijkomende psychische klachten. Verzekeringsarts R. Ruliaman heeft op 12 december 2000 appellante mede in het kader van een eerstejaars herbeoordeling onderzocht en een nieuw belastbaarheidsprofiel opgesteld. In zijn rapport geeft Ruliaman aan dat de gezondheidstoestand verslechterd is wegens bijkomende restricties van de psychische draagkracht, ten aanzien van het werken onder tijdsdruk en conflicthantering, bij het gelijk blijven van de overige restricties. Na overleg met de verzekeringsarts zijn door arbeidsdeskundige F.E.J. van de Burgt overeenkomstig dit belastbaarheidsprofiel functies geselecteerd en is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 20,77%. Vervolgens is bij besluit van 8 februari 2001 de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1 februari 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%, welke ingangsdatum na een bezwaarschriftprocedure bij besluit van 11 juli 2001 gewijzigd is in 26 maart 2001.

Nadat appellante zich op 20 september 2001 wederom vanuit de WW ziek gemeld had vanwege rug-, schouder-, nek- en beenklachten en spanningsklachten, is zij op 14 november 2001 door verzekeringsarts J.K. van Essen onderzocht. Deze heeft appellante met ingang van 19 november 2001 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid. De verzekeringsarts heeft blijkens het afschrift medische kaart, telefonische informatie ingewonnen bij appellantes huisarts, die hem tevens een brief van behandelend psychiater drs. Gülsacan van 31 augustus 2001 heeft toegezonden. Dienovereenkomstig heeft gedaagde met ingang van 19 november 2001 ziekengeld geweigerd.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar spanningsklachten zodanig zijn, dat zij niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Appellante is snel geïrriteerd of boos, kan om niets agressief worden en heeft slaapproblemen. In verband met haar psychische klachten is zij door haar huisarts doorgestuurd naar de psychiater.

Appellante is op 19 december 2001 door bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter onderzocht, die op basis van dossieronderzoek, het verhandelde tijdens de hoorzitting en telefonisch contact met de huisarts, in zijn rapport van 19 april 2002 tot de conclusie is gekomen, dat de medische grondslag van het primaire besluit juist is, aangezien verzekeringsarts Van Essen zijn beoordeling heeft gebaseerd op uitvoerig overleg met appellante en op van de huisarts en de psychiater verkregen gegevens, bij welke gegevens de door de verzekeringsarts getrokken conclusie past. Bezwaarverzekeringsarts De Kanter is tot de slotsom gekomen dat bij appellante sprake is van een overwegend door sociale problematiek bepaald klachtenpatroon. Bij besluit van 23 april 2002, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar dan ook ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante haar grieven uit het bezwaarschrift herhaald en heeft zij een brief van 27 juni 2002 overgelegd van haar psychiater, die aangeeft dat bij appellante, “wellicht door de ernst van de bijzondere combinatie somatiek en psychiatrisch bij een reeds starre, stuwe gezinsstructuur, nauwelijks verbetering is opgetreden in de problematiek”. Daarnaast heeft appellante verzocht een deskundige aan te wijzen die nader kan rapporteren over de gezondheidssituatie per de in geding zijnde datum.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging dat appellante na geneeskundig onderzoek op 12 december 2000 (anders dan voorheen) ook beperkt geacht werd op het punt van de psychische belastbaarheid, waarbij volgens de eerdergenoemde (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen op (en na) 19 november 2001 niet zijn toegenomen. Daarvan uitgaande was appellante niet (meer) buiten staat tot het verrichten van de haar eerder voorgehouden functies. In hetgeen namens appellante naar voren is gebracht, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden en desgewenst een deskundige aan te wijzen om appelante nader te doen onderzoeken.

De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 19 van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld.
Als maatstaf van arbeid van appellante als bedoeld in artikel 19 van de ZW dienen te worden aangemerkt de in het kader van de eind 2000/begin 2001 gehouden WAO-beoordeling geselecteerde functies zoals deze op basis van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidsprofiel aan appellante zijn voorgehouden door de arbeidsdeskundige. De Raad stelt hierbij vast dat in dit belastbaarheidsprofiel rekening gehouden is met de psychische belastbaarheid en houdt het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat uit de klachten van appellante niet meer beperkingen voortvloeien dan gedaagde heeft aangenomen, niet voor onjuist. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat er zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de informatie van de huisarts en de brief van de behandelende psychiater meegenomen zijn in de beoordeling. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts De Kanter dat de brief van de psychiater aansluit bij de reeds bekende gegevens en dat er sprake is van een overwegend door sociale problematiek bepaald klachtenpatroon. Gezien het feit dat door appellante geen andere medische stukken zijn ingebracht die een ander licht op de zaak werpen, ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige aan te wijzen.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x