Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT6801
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ziekengeld omdat betrokkene op en na de datum in geding niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4787 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 12 februari 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van 12 februari 2002 geen ziekengeld meer is toegekend, omdat hij op en na deze datum niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 26 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 20 augustus 2003 (AWB 02/4139 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij aanvullend beroepschrift van 10 november 2003 (met bijlage) heeft mr. J.L. Plokker, kantoorgenoot van mr. De Wit voornoemd, de gronden voor het hoger beroep aangevoerd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.M. Snijders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in de aangevallen uitspraak als volgt zijn weergegeven (appellant is daarbij aangeduid als eiser):

“Eiser is als agrarisch medewerker werkzaam geweest. Op 7 januari 2000 heeft hij vanwege klachten als gevolg van een hartinfarct ziek gemeld. In het kader van een beoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is eiser per 8 januari 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Per genoemde datum is eiser niet meer voor zijn eigen werk geschikt geacht, maar hij is wel in staat geacht de aan hem voorgehouden functies, zoals de functie van naaister/stikster meubelbekleding, te verrichten. Daarnaast is eiser in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. In het kader van een eerstejaars WAO-herbeoordeling is eiser op 1 december 2001 door de verzekeringsarts onderzocht, die eiser onder meer op de psychische belastende factoren, werken onder tijdsdruk (28 A) en conflicthantering (28 E), beperkt heeft geacht. Nadat vervolgens een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser ongewijzigd op 15 tot 25% vastgesteld. In het kader van die herbeoordeling is eiser ook geschikt geacht voor passende functies, onder meer (wederom) de functie van naaister/stikster meubelbekleding. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen de besluiten, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid (ongewijzigd) op 15 tot 25% is vastgesteld, geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Inmiddels had eiser zich op 11 december 2001 vanwege spanningsklachten, maag-, rug-, schouderklachten, alsmede klachten in de borst opnieuw ziekgemeld.”

In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft besloten om aan appellant terzake van het ziektegeval van 11 december 2001 met ingang van 12 februari 2002 geen ziekengeld meer toe te kennen, omdat hij op en na deze datum niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde - voorzover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 11 december 2001 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant in het kader van de WAO per 8 januari 2001 als passend zijn aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

De rechtbank heeft de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend beantwoord en daarbij overwogen dat de hersteldverklaring per 11 februari 2002 in elk geval wordt gedragen door de geschiktheid van de functie naaister/stikster meubelkleding.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, met dien verstande dat - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - maatgevend is de functie van naaister/stikster meubelkleding, zoals vermeld in een arbeidskundig rapport van 10 april 2001. Aangezien deze functie, zoals ter zitting van de Raad door gedaagdes gemachtigde nog nader is toegelicht, geheel overeenstemt met de in januari 2002 bij de herbeoordeling in het kader van de WAO aan de orde gestelde functie naaister/stikster meubelkleding, leidt dit voorbehoud niet tot een andere conclusie.

Het in hoger beroep overgelegde rapport van 12 september 2003 van R. Soylu, psychiater te Den Haag, vormt voor de Raad geen reden voor een andersluidend oordeel. De Raad wijst erop dat bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger kennis heeft genomen van een brief van 4 juni 2002 van psychomedisch centrum Parnassia en dat daarin reeds melding wordt gemaakt van de door psychiater Soylu vermelde agressieproblematiek. Nu daarmee rekening is gehouden werpt voormelde brief naar het oordeel van de Raad geen wezenlijk ander licht op appellants gezondheidstoestand ten tijde in geding. De ter zitting van de Raad door appellant - met instemming van gedaagdes gemachtigde - overgelegde brieven van de behandelend sector vormen eveneens geen reden voor een andersluidend oordeel. De Raad merkt naar aanleiding hiervan nog op dat de namens cardioloog J. Kolff geschreven brief van 3 februari 2000 zich al in het dossier bevindt en destijds is betrokken bij de schatting in het kader van de WAO per 8 januari 2001. De overige ter zitting van de Raad overgelegde brieven van de behandelend sector hebben geen betrekking op de datum in geding.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x