Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT8483
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aanspraak op ziekengeld. Vaststelling van het dagloon.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2353 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. A.A.J. de Nijs, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2004, kenmerk 03/3256.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 april 2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. De Nijs voornoemd, terwijl gedaagde met voorafgaand schriftelijk bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden.

Appellant is laatstelijk van 28 maart 1994 tot en met 31 augustus 1995 werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker bij [werkgever]. Na het einde van dit dienstverband heeft appellant zich op 9 september 1995 vanuit Marokko ziek gemeld.

Bij besluit van 20 maart 2003 heeft gedaagde naar aanleiding van deze ziekmelding per 9 september 1995 aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend, onder vaststelling van het dagloon op € 67,42. Het hiertegen door appellant ingediende bezwaar is bij besluit van 24 september 2003 door gedaagde ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat gedaagde de bepaling van het dagloon terecht heeft gebaseerd op de geldende CAO, omdat de door appellant overgelegde gegevens onvoldoende moeten worden geacht om als basis voor de dagloonberekening te kunnen dienen.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak bestreden.
Appellant is van mening dat uit de inmiddels door hem overgelegde stukken blijkt dat zijn dagloon op een hoger bedrag vastgesteld had moeten worden dan het - bij gebreke van gegevens van de werkgever - door gedaagde vastgestelde dagloon op basis van het tot 1 oktober 1996 bij klasse II met 0 functiejaren van de CAO Tuinbouw behorende loon. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het op de weg van gedaagde had gelegen om aan de hand van de in de bezwaarprocedure overgelegde stukken informatie in te winnen bij de Belastingdienst.

Het geding spitst zich toe op de vraag of gedaagde terecht en op goede gronden het dagloon van appellant heeft vastgesteld op € 67,42 bruto, inclusief vakantietoeslag.

De Raad oordeelt als volgt.

Anders dan door de rechtbank is vastgesteld dient, nu appellants aanspraak op ziekengeld op artikel 46, eerste lid onder a, van de ZW berust, het dagloon te worden berekend aan de hand van de Dagloonregelen Invoeringswet sociale zekerheid IWS (hierna: de Dagloonregelen). Dit betekent dat op grond van artikel 4, eerste lid, van de Dagloonregelen het dagloon dient te worden berekend naar het loon dat de werknemer in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd werkzaam was.

De Raad stelt vast dat over de in acht te nemen referteperiode, de periode 1 maart tot 1 september 1995, geen loongegevens bekend zijn. De door appellant in beroep overgelegde stukken hebben betrekking op de jaren 1988 tot en met 1994. Daaronder bevinden zich twee salarisstroken, uit 1994.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift aan de hand van de meest recente beschikbare salarisstrook, de salarisstrook van oktober 1994 (de Raad neemt aan: september 1994) met een brutoloon van f 2.975,10, en rekening houdend met 8,25% vakantietoeslag en een indexering van 1,75% per 1 januari 1995, het dagloon per 9 september 1995 op € 67,53 bepaald.
Naar het oordeel van de Raad is het bij gebreke van loongegevens uit de referteperiode geen onredelijk uitgangspunt de dagloonberekening te baseren op de meest recente wιl beschikbare salarisstrook. Aan het door appellant overgelegde bankafschrift gedateerd 30 augustus 1995, waarop een bijschrijving van werkgever [werkgever] ad f 2.407,88 met betalingskenmerk ’salaris’ is vermeld, kan, bij gebreke van een specificatie, niet de conclusie worden verbonden dat het vaste loon in augustus 1995 hoger was dan in september 1994.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 24 september 2003 vernietigen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorzien in de zaak en bepalen dat het dagloon wordt vastgesteld op € 67,53.

De Raad ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 24 september 2003;
Bepaalt dat het dagloon wordt vastgesteld op € 67,53 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 133,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P.Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x