Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT9350
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de hoogte van het dagloon. Overwerk.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2314 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift van 15 juli 2004 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond onder dagtekening 17 maart 2004 tussen partijen gewezen uitspraak (reg.nr. 03/1370 ZW).

Gedaagde heeft een op 26 juli 2004 gedagtekend verweerschrift ingezonden.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 8 maart 2005 de Raad nog nadere stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 2005, waar appellant daartoe opgeroepen is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Klinkert voornoemd, terwijl gedaagde daartoe ook opgeroepen zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant is met ingang van 1 juni 2002 in dienst getreden bij [werkgeefster] als constructeur voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. Op 13 mei 2003 is appellant arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk bij evenbedoeld bedrijf. De arbeidsovereenkomst is beëindigd per 31 mei 2003. Bij primair besluit van 9 juli 2003 is aan appellant ingaande 1 juni 2003 op grond van artikel 29, tweede lid onder c, van de Ziektewet (ZW) een uitkering toegekend, waarbij het ZW-dagloon is vastgesteld op € 151,65.

Naar aanleiding van het daartegen door appellant ingestelde bezwaar, waarbij appellant naast zijn bezwaren tegen de hoogte van het dagloon tevens heeft gewezen op het feit dat bij de betaalspecificatie van 23 juni 2003 sprake was van een ZW-dagloon van € 159,60 en op de betaalspecificatie van 30 juni 2003 van € 151,65, heeft gedaagde bij besluit van 20 oktober 2003 geoordeeld dat het primaire besluit van 9 juli 2003 beschouwd moet worden als een herziening met terugwerkende kracht van de toekenning ziekengeld die daaraan vooraf ging. Het besluit van 9 juli 2003 is in zoverre onjuist dat de hoogte van de ZW-uitkering niet met terugwerkende kracht per 1 juni 2003 had mogen worden herzien, maar pas op het moment dat gedaagde aan appellant kenbaar had gemaakt dat aan hem teveel ZW-uitkering was verstrekt. Op grond hiervan wordt het besluit van 9 juli 2003 in zoverre herroepen:
“- dat u gedurende de periode 1 juni 2003 tot en met 30 juni 2003 recht heeft op een ZW-uitkering berekend naar een ZW-dagloon van € 176,20;
- dat u gedurende de periode 1 juli 2003 tot en met 8 juli 2003 recht heeft op een ZW-uitkering, berekend naar een ZW-dagloon van € 178,40; en
- dat u vanaf 9 juli 2003 recht heeft op een ZW-uitkering van € 153,55.”

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft gedaagde zijn besluit van 20 oktober 2003 herzien. Daarbij is besloten het besluit van 9 juli 2003 alsnog in zoverre te herroepen:
“- dat u gedurende de periode 1 juni 2003 tot en met 30 juni 2003 recht heeft op een ZW-uitkering berekend naar een ZW-dagloon van € 165,63;
- dat u gedurende de periode 1 juli 2003 tot en met 8 juli 2003 recht heeft op een ZW-uitkering berekend naar een ZW-dagloon van € 167,70; en
- dat u vanaf 9 juli 2003 recht heeft op een ZW-uitkering, berekend naar een ZW-dagloon van € 153,55.”

In eerste aanleg heeft appellant - beroep instellend tegen het besluit van 28 oktober 2003 - zich op het standpunt gesteld dat, naast zijn mening dat bij de bepaling van de hoogte van het dagloon ten onrechte geen rekening is gehouden met het spaarloon, het met name niet reëel is om bij de berekening van het dagloon uit te gaan van het door de werkgever opgegeven salaris, aangezien uit de overgelegde salarisstrookjes van de laatste maanden blijkt dat hij een aanzienlijk aantal overuren heeft gemaakt. Nu er sprake is van structureel overwerk en tevens dit overwerk inherent is aan zijn functie dient naar de mening van appellant bij het bepalen van de hoogte van zijn dagloon daarmee tevens rekening gehouden te worden.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard en heeft onder meer als oordeel uitgesproken dat uit moet worden gegaan van één dienstverband, één functie van constructeur met een - blijkbaar - ruim takenpakket, en dat de extra uren aangemerkt moeten worden als overuren, welke niet inherent zijn aan deze functie, maar het gevolg zijn van organisatorische keuzes van de werkgever.

In hoger beroep is namens appellant betwist dat de extra uren als overwerk dienen te worden aangemerkt. Appellant meent dat het niet gaat om de vraag of er sprake is van één dan wel twee functies, maar om de vraag of hij verplicht was de overuren te draaien c.q. of de overuren inherent waren aan de functie die hij vervulde.

De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.

De Raad stelt voorop dat vergoeding voor overwerk op grond van artikel 1, derde lid, onderdeel o, van de Algemene dagloonregelen ZW niet bij de vaststelling van het dagloon kan worden meegenomen. In voorkomende gevallen moet de vraag worden beantwoord of hetgeen als zodanig is gekwalificeerd daadwerkelijk als overwerk moet worden beschouwd. In zijn jurisprudentie heeft de Raad daarvoor de volgende benadering ontwikkeld. In de eerste plaats kan van overwerk niet worden gesproken indien ingevolge de individuele arbeidsovereenkomst of de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst de werknemer jegens de werkgever verplicht is de arbeid te verrichten op uren welke zonder die verplichting als overuren zouden moeten worden aangemerkt. In de tweede plaats kan er blijkens vaste jurisprudentie van de Raad geen sprake zijn van overwerk, indien het meer werken dan de normale arbeidstijd inherent is aan de functie. Daarbij moet de aard van de functie in ogenschouw worden genomen. Langer werken om organisatorische - meer veroorzaakt door de indeling van het werk dan door de aard van de werkzaamheden - redenen, kan naar het oordeel van de Raad in het algemeen niet als inherent aan de functie worden beschouwd.

Naar van de zijde van appellant ter zitting van de Raad nogmaals is bevestigd, hield het door appellant verrichte overwerk verband met het feit dat zijn werkgever net het bedrijf had opgericht en appellant uit financiële overwegingen zijn enige werknemer was. In feite moest appellant naast zijn werkzaamheden als constructeur ook alle overige werkzaamheden verrichten. Van een inherentie aan de (aard van de) functie is derhalve geen sprake. Het overwerk is feitelijk ingegeven door organisatorische redenen.

Dat in een situatie, zoals hierboven geschetst, van betrokkene een zekere flexibele houding met betrekking tot de arbeidstijden werd verwacht, daarvan is de Raad wel overtuigd. Echter, in het onderhavige geval is onvoldoende aannemelijk gemaakt dan wel anderszins komen vast te staan dat er sprake is geweest van een situatie waarin voor appellant op basis van zijn individuele arbeidsovereenkomst, dan wel op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst evenbedoelde verplichting jegens zijn werkgever bestond.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat het werk, dat appellant heeft verricht buiten de normale arbeidstijd, dient te worden aangemerkt als overwerk in de zin van artikel 1, derde lid, onder o, van de Algemene Dagloonregelen ZW.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr.drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x