Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AT9728
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is niet ongeschikt voor het verrichten van haar arbeid. Moet zij geschikt worden geacht voor (ten minste n van) de vijf functies?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4472 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is door mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door rechtbank s-Gravenhage op 28 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/4849 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij fax (met bijlagen) van 13 mei 2005 zijn namens appellante nadere stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 mei 2005, waar appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Es, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst bij het [naam Ziekenhuis] te [vestigingsplaats] voor 40 uur per week, viel op 9 oktober 1996 uit met rugklachten. Zij werd onderzocht door verzekeringsarts A.J.D. Versteeg, die bij haar een status na HNP-operatie diagnosticeerde en enige beperkingen vaststelde, met name in verband met de enigszins beperkte flexie ten gevolge van de pijnklachten, en die deze beperkingen neerlegde in een belastbaarheidspatroon van 28 augustus 1997.

Nadien is appellante bij besluit van 21 oktober 1997 met ingang van 6 oktober 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) geweigerd, op de grond dat zij weliswaar ongeschikt werd geacht voor haar eigen werk, maar geschikt voor een aantal geselecteerde functies. In het kader van de hierop volgende bezwaarprocedure is door bezwaarverzekeringsarts R.T. Hupkens bij appellante een pijnsyndroom gediagnosticeerd en zijn de eerder ten aanzien van haar vastgestelde beperkingen aangescherpt en neergelegd in een belastbaarheidspatroon van 16 november 1998. Hierbij is aangegeven dat er in verband met de rugklachten beperkingen zijn ten aanzien van rugbelastende activiteiten als gebogen werken, kortcyclisch buigen en torderen, tillen, dragen, duwen en trekken, dat bij het zitten rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid tot vertreden en dat er tevens beperkingen zijn ten aanzien van het lopen, trappenlopen, klimmen en werkzaamheden op grondniveau. Uitgaande van deze nadere beperkingen zijn door bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. v.d. Hulst aan de schatting uiteindelijk de functies van samensteller, (printplaten)monteur, monteur koffiezetters, wikkelaar (transformatoren) en modinette tricotage industrie ten grondslag gelegd. In aansluiting hierop is het door appellante tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 18 januari 2000 ongegrond verklaard. Door of namens appellante is tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

Appellante ontving inmiddels een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie meldde zij zich op 3 oktober 2001 (na twee eerdere ziek- en hersteldmeldingen) wederom ziek - naar zijzelf op het betreffende formulier aangaf - vanwege een baarmoederverwijdering en een te plaatsen morfinepomp in haar rug. In verband met deze ziekmelding werd appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW) toegekend.

Op 18 januari 2002 werd appellante onderzocht door verzekeringsarts M.V. Borkent. Deze verzekeringsarts constateerde bij appellante een pijnsyndroom na HNP-operatie en een status na uterus-extirpatie. Naar het oordeel van deze arts was bij appellante sprake van zeer beperkte objectiveerbare afwijkingen en betrof het dezelfde klachten als in het verleden. In zijn rapport van 18 januari 2002 concludeerde deze arts, met een verwijzing naar het belastbaarheidspatroon van 28 augustus 1997, dat appellante weer in staat was tot het verrichten van gangbare arbeid. In overeenstemming hiermee is appellante bij besluit van 29 januari 2002 meegedeeld dat zij met ingang van 21 januari 2002 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

In bezwaar is door appellante onder meer informatie ingebracht van respectievelijk arts-assistent anesthesiologie J.W. Wirds van 12 november 2001, anesthesioloog A.L. Liem van 17 januari 2002 en 20 juni 2002, huisarts C.M. de Putter van 4 augustus 2002 en neurochirurg dr. C.F.E. Hoffmann van 30 augustus 2001 en 26 augustus 2002. Bezwaarverzekeringsarts E. Hfkens heeft, op basis van deze informatie en nader dossieronderzoek, in haar rapport van 3 en 20 september 2002 geconcludeerd dat er geen reden is om terug te komen op het primaire medische oordeel. In overeenstemming hiermee is het door appellante tegen het besluit van 29 januari 2002 gemaakte bezwaar bij bestreden besluit van 4 november 2002 ongegrond verklaard.

In beroep is door appellante nog informatie ingebracht van revalidatiearts N. van Kleef van 18 november 2002. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is door appellante naar voren gebracht dat ten onrechte door gedaagde geen onderzoek is gedaan naar een mogelijke toepassing van artikel 43a van de WAO (Wet Amber), dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat, dat sprake is van een verergering van haar rugklachten ten opzichte van de situatie per 6 oktober 1997, dat appellante ongeschikt is voor de destijds geselecteerde functies, dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel nu geen informatie is ingewonnen bij de behandelend sector en, tot slot, dat een onderzoek door een deskundige dient plaats te vinden. Appellante heeft in hoger beroep nog nadere medische informatie ingebracht. Ter zitting is van de zijde van gedaagde nog een rapport van bezwaarverzekeringsarts F. Muradin van 23 mei 2005 overgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder zijn arbeid in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste n van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Zoals uit het vorenstaande blijkt is appellante in dat kader geschikt geacht voor de functies van samensteller, (printplaten)monteur, monteur koffiezetters, wikkelaar (transformatoren) en modinette tricotage industrie.

De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 21 januari 2002 geschikt moet worden geacht voor (ten minste n van) deze vijf functies.

Gedaagde heeft dit standpunt gebaseerd op het rapport van verzekeringsarts Borkent van 18 januari 2002 en het rapport van bezwaarverzekeringsarts Hfkens van 3 en 20 september 2002. Blijkens genoemde rapporten is door de betrokken verzekeringsartsen bij hun oordeelsvorming omtrent de geschiktheid van appellante voor de hiervoor genoemde functies niet uitgegaan van het (aangescherpte) belastbaarheidspatroon van 16 november 1998, maar van het belastbaarheidspatroon van 28 augustus 1997. Hoewel deze gang van zaken naar het oordeel van de Raad enige twijfel doet rijzen ten aanzien van de door de betrokken verzekeringsartsen bij het opstellen van hun rapport betrachte zorgvuldigheid, is hierin in dit geval naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond gelegen voor een vernietiging van het bestreden besluit. Daartoe heeft de Raad in het bijzonder laten wegen dat in de omtrent appellante beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de betrokken verzekeringsartsen dat de medische situatie van appellante (en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen) op de datum in geding niet wezenlijk anders was dan ten tijde van de beslissing in het kader van de WAO. Dit klemt naar het oordeel van de Raad te meer, nu de betrokken verzekeringsartsen, naar ook ter zitting van de zijde van gedaagde is bevestigd, bij hun beoordeling wel zijn uitgegaan van de juiste (hiervoor vermelde) functies. De Raad merkt daarbij nog op dat de betrokken verzekeringsartsen - anders dan appellante meent - bij hun onderzoek voldoende informatie van de behandelend sector ter beschikking stond om tot een afgewogen en voldoende gemotiveerd oordeel omtrent de medische situatie van appellante te komen. De door appellante in hoger beroep ingebrachte medische stukken hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Deze stukken zien, naar ook door bezwaarverzekeringsarts Muradin in zijn rapport van 23 mei 2005 is aangegeven, geen van alle op de datum in geding en dienen reeds om die reden verder buiten aanmerking te worden gelaten. Onder deze omstandigheden ziet de Raad ook geen aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek door een deskundige.

Hieruit volgt dat de thans ter beantwoording voorliggende vraag bevestigend moet worden beantwoord en wel in die zin dat appellante met ingang van 21 januari 2002 niet ongeschikt moet worden geacht voor in elk geval de functie van wikkelaar (transformatoren, fb-code 8535). Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat deze functie door de bezwaararbeidsdeskundige destijds is beoordeeld met inachtneming van het belastbaarheidspatroon van 16 november 1998 en dat deze functie, gezien de betreffende verwoording functiebelasting, geen enkele overschrijding van de belastbaarheid kent.

Ten aanzien van de grief van appellante met betrekking tot haar mogelijke aanspraken op grond van artikel 43a van de WAO (Wet Amber) overweegt de Raad, tot slot, dat voor het betrekken van dergelijke aanspraken in een geding als het onderhavige, waarin alleen een besluit ter uitvoering van de ZW aan de orde is, op grond van de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), naar vaste jurisprudentie van de Raad, geen ruimte is.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x