Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU0223
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is niet ongeschikt voor het verrichten van zijn arbeid: de arbeid die voor hem geschikt is bevonden bij de WAO-beoordeling.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4988 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, op bij beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 26 augustus 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 03/440 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn op 19 april 2005 nadere stukken ingezonden.

Gedaagde heeft op 10 mei 2005 desverzocht nadere stukken overgelegd. Voorts heeft gedaagde op 11 mei 2005 een nader stuk ingezonden. Op deze stukken is namens appellant bij brief van 27 mei 2005 (met bijlagen) gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer-Morren, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.H. Martens, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is werkzaam geweest als systeembeheerder en is op 15 november 1999 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens psychische klachten. In het kader van een eindewachttijdbeoordeling heeft de verzekeringsarts J.V. Koops op 22 november 2000 een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer vermeld dat appellant een donornier heeft en dat in september 2000 een zogeheten shunt in de linkerarm ongedaan is gemaakt. Voorts is vermeld dat appellant vanwege zijn psychische klachten opgenomen is geweest en dat hij thans nog n dag per week nabehandeling heeft. Volgens Koops is appellant de resterende werkdagen van de week belastbaar voor halve dagen met in lichamelijk opzicht niet te zware werkzaamheden, waarbij geen grote werkdruk en het dragen van een grote verantwoordelijkheid voorkomt. De desbetreffende medische beperkingen zijn vastgelegd in een belastbaarheidspatroon d.d. 22 november 2000. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige R. van Beers functies geselecteerd. In het door Beers op 23 januari 2001 uitgebrachte rapport is vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 65 tot 80% moet worden gesteld. Conform dit advies is aan appellant met ingang van 13 november 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 6 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering, gezien de resultaten van een herbeoordeling, ongewijzigd wordt voortgezet.

Appellant heeft zich per 11 december 2002 ziek gemeld wegens klachten aan de linkerarm. Op 21 januari 2003 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts J. Relyveld. Op het Afschrift medische kaart heeft Relyveld hierover vermeld dat de linkerarm duidelijk verdikt is ten opzichte van de rechterarm. Voorts is vermeld dat specialistisch onderzoek heeft uitgewezen dat alles goed is met de nieren en de bloeddruk, maar dat wel een bloedprop is geconstateerd. Voorlopig volgt hiervoor geen behandeling en wordt eerst gestreefd naar gewichtsverlies. Ook is vermeld dat appellant inmiddels nog eens in de vier zes weken een gesprek heeft met een psychiater. Relyveld heeft geconcludeerd dat appellant weliswaar forse beperkingen heeft, maar dat ten opzichte van de eerder vastgestelde belastbaarheid geen sprake is van een toename van beperkingen, zodat appellant nog steeds geschikt is voor de hem in het kader van de WAO voorgehouden deeltijdfuncties. Bij besluit van 21 januari 2003 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 22 januari 2003 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer op 2 april 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is onder andere vermeld dat de linkerbovenarm bij inspectie duidelijk dikker is dan de rechterbovenarm, deels vanwege vetweefsel, en dat de onderarmen geen bijzonderheden laten zien. Verder is vermeld dat appellant ondanks zijn klachten nog diverse activiteiten verricht, waaronder het volgen van een opleiding, het werken met de computer en het doen van de huishouding. Volgens Dreijer is appellant geschikt om de geduide functies voor halve dagen te vervullen, nu in deze functies geen zware armbelasting voorkomt. Bij besluit van 2 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest, dat door gedaagde voldoende is gemotiveerd op grond waarvan appellant in staat is de maatgevende arbeid te verrichten en dat appellant hier niets tegenover heeft gesteld dat concreet doet twijfelen aan de juistheid van de inschatting van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

In hoger beroep heeft appellant wederom naar voren gebracht dat zijn armklachten zijn onderschat en dat de hem in het kader van de WAO voorgehouden functies te armbelastend zijn. In dit verband heeft hij aanvullende medische informatie ingebracht, waaruit onder meer blijkt dat bij appellant twee aneurysmata in de linkerarm zijn vastgesteld, in verband waarmee hij op 24 augustus 2004 een operatie heeft ondergaan.
Gedaagde heeft zijn standpunt gehandhaafd dat appellant, ook rekening houdend met de armklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen, op 22 januari 2003 in staat was zijn arbeid te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder "zijn arbeid" verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de AAW en/of de WAO.
Nu deze concretisering in het kader van de AAW en WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW pas dan ongeschikt is voor "zijn arbeid", als hij voor al deze functies ongeschikt is.
In het onderhavige geval dient als zijn arbeid te worden aangemerkt de arbeid die voor appellant geschikt is bevonden bij de WAO-beoordeling die heeft geleid tot het hiervoor vermelde besluit van 6 februari 2002.

Naar het oordeel van de Raad kan het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant op de hier van belang zijnde datum, 22 januari 2003, nog in staat was om zijn arbeid te verrichten, worden gevolgd. De Raad is hierbij van oordeel dat in ieder geval de functie van medewerker telefoonpost voor appellant geschikt kan worden geacht. De functiebelasting van deze functie blijft geheel binnen de voor appellant in het kader van de WAO vastgestelde belastbaarheid. Voorts geldt dat bij de uitoefening van deze functie, naast een toetsenbord, gebruikt wordt gemaakt van een muis en een headset, zodat de belasting van de linkerarm in deze functie beperkt blijft. Hieruit volgt dat gedaagde terecht de ZW-uitkering van appellant met ingang van 22 januari 2003 heeft ingetrokken.

Het hoger beroep treft daarom geen doel, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x