Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU0498
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is niet meer ongeschikt voor het verrichten van zijn arbeid. Indienen bezwaar: niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift wel reeds tot stand was gekomen, hetgeen hier het geval is.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4835 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 11 december 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 augustus 2003 (AWB 02/242 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Boogaard, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant, die als uitzendkracht werkzaam was als schoonmaker in het [naam werkgever] te [vestigingsplaats], is op 16 mei 2001 wegens psychische klachten, samenhangend met problemen in zijn huwelijk, ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn arbeid.
Hij heeft terzake van dit ziektegeval op 28 juni 2001 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, waar appellant een sombere indruk maakte en gepreoccupeerd leek met de eigen problematiek. Op het Afschrift Medische Kaart is genoteerd dat appellant wel dacht te kunnen werken, maar dat hij bang was dat zijn vrouw met de kinderen weer zou weglopen.
Op 15 augustus 2001 is appellant opnieuw gezien door een verzekeringsarts, die constaterend dat sprake was van dezelfde problemen vaststelde dat bij appellant geen beperkingen bestonden voor het verrichten van zijn eigen werk. Appellant is toen aangezegd dat hij per 20 augustus 2001 hersteld werd geacht, zij het dat er nog informatie bij de huisarts zou worden opgevraagd.
Op 15 augustus 2001 is vervolgens het besluit genomen om aan appellant met ingang van 20 augustus 2001 geen ziekengeld meer toe te kennen.

Naar aanleiding van het gesprek met de verzekeringsarts van 15 augustus 2001 heeft appellant bij op 18 augustus 2001 gedateerde brief die op 3 september 2001 bij gedaagde is ingekomen bezwaar gemaakt tegen voormelde beslissing.

Naar aanleiding hiervan is appellant op 25 oktober 2001 gezien door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, die inlichtingen heeft ingewonnen bij GGZ Buitenamstel en bij appellants huisarts. Voormelde instelling kon toen nog geen informatie verstrekken, omdat appellant daar nog in de intakefase zat. De huisarts maakte in een brief van 27 november 2001 onder meer melding van een depressief syndroom in april 2000, waarvoor medicatie in mei 2000 leek te helpen. Op 9 augustus 2001 was appellant volgens de huisarts nog radeloos, omdat zijn echtgenote wilde scheiden. Appellant had toen verzocht om een Riagg-verwijzing.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 10 december 2001 opgemerkt dat appellant op de hoorzitting geen ernstig vermoeide indruk maakte en er niet uitzag alsof hij al maanden nauwelijks sliep. Op grond van de afwezigheid van ernstige apathie, ernstige somberheid of andere ernstige psychopathologie, achtte zij appellant in staat tot routinematige handelingen, waarbij geen continue aandachtsconcentratie gevraagd werd, en niet voortdurend verschillende taken tegelijkertijd verricht moesten worden. Hij werd daarom geschikt geacht voor zijn werk als schoonmaker.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ontvankelijk geacht en overeenkomstig het rapport van voornoemde bezwaarverzekeringsarts ongegrond verklaard.
De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of gedaagde het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

Ingevolge het bepaalde in destijds artikel 75a van de ZW bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift twee weken. Artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.

Gelet op de gedingstukken is voor de Raad niet komen vast te staan dat het besluit van 15 augustus 2001 aan appellant is uitgereikt dan wel verzonden. Nu niet is komen vast te staan dat het besluit van 15 augustus 2001 op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, was de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb niet op 15 augustus 2001 en ook niet ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift aangevangen. Hiervan uitgaande moet het bezwaarschrift worden aangemerkt als zijnde voortijdig ingediend. Op grond van het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb blijft niet-ontvankelijkheid evenwel achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift wel reeds tot stand was gekomen, hetgeen hier het geval is.

De Raad beantwoordt de hiervoor opgeworpen vraag dus bevestigend.

Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank. Met name de rapportage van voornoemde bezwaarverzekeringsarts geeft naar het oordeel van de Raad blijk van een zorgvuldige afweging van de terzake relevante aspecten. Gelet op de bevindingen van deze arts op de hoorzitting van
25 oktober 2001 ziet de Raad geen reden voor twijfel aan de toen getrokken conclusie dat appellants geestelijke gezondheidstoestand niet van dien aard was dat hij niet in staat was het eenvoudige routinematige schoonmaakwerk te verrichten. In reactie op de in eerste aanleg ingebrachte brieven van de GGZ Buitenamstel heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht opgemerkt dat appellant eerst in november 2001 door een psychiater is gezien en dat er, gelet ook op de brief van de huisarts van 27 november 2001, ten tijde in geding nog geen sprake was van symptomen, die wezen op het bestaan van een ernstige depressie.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x