Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU0921
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten om aan betrokkene geen ziekengeld meer toe te kennen?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4864 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 25 november 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 15 augustus 2003 (02/2269 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. S.F.H. Jellinghaus, advocaat te Tilburg, is op bij beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Op 20 juni 2005 heeft de Raad van de zijde van appellante een verklaring d.d. 16 juni 2005 van W.A.F. Sondermeyer, psychiater te Veldhoven, ontvangen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 juni 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.M.J. Koolwijk, eveneens advocaat te Tilburg, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in de aangevallen uitspraak als volgt zijn weergegeven (appelante en gedaagde zijn daarbij aangeduid als eiseres en verweerder):

“Eiseres, geboren [in] 1968, is werkzaam geweest als productiemedewerkster. Eiseres is op 3 maart 1999 uitgevallen wegens rugklachten tijdens de zwangerschap. Per einde wachttijd, 1 maart 2000, heeft verweerder geweigerd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen aan eiseres, omdat zij met haar beperkingen geschikt wordt geacht voor haar eigen (maatgevende) arbeid. Naar aanleiding van haar ziektemelding per 14 augustus 2000, in verband met rugklachten, is aan eiseres ziekengeld toegekend. Per einde wachttijd, 13 augustus 2001, is eiseres een WAO-uitkering geweigerd omdat zij vanaf die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Eiseres ontvangt wel een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft eiseres zich op 27 december 2001 ziek gemeld wegens klachten van overspannenheid.”

In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft besloten om aan appellante met ingang van 1 maart 2002 geen ziekengeld meer toe te kennen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde - voorzover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de AAW en/of de WAO. Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 27 december 2001 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant in het kader van de AAW en de WAO in augustus 2001 als passend werden aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de AAW en de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

De rechtbank heeft de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend beantwoord en daarbij met name betekenis toegekend aan de rapportages van de betrokken verzekeringsartsen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan en grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd merkt de Raad nog op dat bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke bij zijn advisering rekening heeft gehouden met het op zijn verzoek door klinisch neuropsycholoog drs. L.C.C.F Vanbrabant op 13 september 2002 uitgebrachte rapport. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanvaard dat appellante beperkingen ondervindt ten aanzien van de omgang met stress en conflicten, maar tevens vastgesteld dat in een aantal van de destijds geselecteerde functies op voormelde punten geen overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt. Naar het oordeel van de Raad voldoet de functie meteropnemer zeker aan dit vereiste.

De in hoger beroep overgelegde verklaring van zenuwarts B.J.M. Franssen d.d. 17 september 2003 vormt voor de Raad geen reden voor een andersluidend oordeel. De Raad onderschrijft in dit verband het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 20 februari 2004, dat de mening van deze zenuwarts niet wordt onderbouwd met medische feiten. De op 20 juni 2005 ingekomen verklaring van psychiater A.F. Sondermeyer heeft de Raad buiten beschouwing gelaten, nu toelating hiervan - gelet op gedaagdes reactie van 27 juni 2005 - in strijd is met de goede procesorde.
Gelet op het hiervoor vermelde uitvoerige neuropsychologische rapport ziet de Raad ook geen reden voor een nader psychiatrisch onderzoek.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x