Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU1452
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ZW-uitkering omdat betrokkene niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van werkzaamheden als directeur/manager.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/5039 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Haarlem op 20 augustus 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 02-53 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Naar aanleiding van een van de zijde van de Raad gestelde vraag heeft gedaagde op 28 mei 2004 nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 augustus 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. A.H. Schene, psychiater, in samenwerking met M. Cvitan, psychiater i.o., op 4 maart 2005 als deskundige een rapport over appellant uitgebracht.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nieuw onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.

De meervoudige kamer heeft de zaak ter afdoening verwezen naar de enkelvoudige kamer.




II. MOTIVERING


Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als directeur van [naam werkgever]. De desbetreffende arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter ontbonden. Vervolgens is aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Per 17 november 2000 heeft appellant zich ziek gemeld wegens vermoeidheidsklachten en concentratiestoornissen. In februari 2001 heeft appellant een hartinfarct gehad.

Op 21 augustus 2001 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts A.G. Willems. Deze heeft blijkens de aantekeningen op de medische kaart geconcludeerd dat appellant hersteld was van het hartinfarct en dat er geen sprake was van psychopathologie. Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 september 2001 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van werkzaamheden als directeur/manager.

In de bezwaarfase heeft de huisarts van appellant op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst bij brief van 18 oktober 2001 medische informatie verstrekt. In deze brief is vermeld dat het al langere tijd niet goed gaat met appellant, dat er nu sprake is van een forse depressie en dat de behandelend psycholoog van appellant deze mening deelt. Op 2 oktober 2001 is appellant gezien door de bezwaarverzekeringsarts Hulst, die vervolgens op 29 oktober 2001 een rapport heeft uitgebracht. Hierin is aangegeven dat appellant tijdens de hoorzitting weliswaar een matte indruk maakte, maar dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een depressie. Volgens Hulst was appellant op 1 september 2001 weer geschikt voor zijn arbeid. Bij besluit van 22 november 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 21 augustus 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was het door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts verrichte medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en is er geen reden om te twijfelen aan de door hen getrokken conclusies.

In hoger beroep heeft appellant evenals in eerste aanleg aangevoerd - kort samengevat - dat hij op 1 september 2001 ongeschikt was voor zijn arbeid, met name vanwege de grote psychische belasting die dergelijke werkzaamheden met zich meebrengen.
Gedaagde heeft op verzoek van de Raad het bestreden besluit nader toegelicht aan de hand van een werkomschrijving en een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hulst d.d. 26 mei 2004. In dit rapport is het standpunt neergelegd dat appellant op 1 september 2001 onveranderd geschikt wordt geacht voor zijn arbeid.

Bij rapport van 4 maart 2005 heeft prof. dr. A.H. Schene, psychiater, in samenwerking met M. Cvitan, psychiater i.o., de Raad van verslag en advies gediend. In dit rapport is onder meer vermeld dat appellant na het hartinfarct in februari 2001 een ernstige depressie met vitale kenmerken heeft ontwikkeld. Op 1 september 2001 was appellant weliswaar weer herstellende van deze depressie, maar hij was nog niet voldoende hersteld om werkzaamheden als directeur/manager te verrichten, aldus Schene.

De Raad ziet geen aanknopingspunten om de hierboven vermelde conclusies van de psychiater Schene onjuist te achten. In s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. In dit geval is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een bijzondere situatie, waarin van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Hierbij merkt de Raad op dat Schene de door hem getrokken conclusies voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

Tot slot overweegt de Raad dat hij geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien hem niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2005.

(get.) Ch. van Voorst.          

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x