Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW / WW
x
LJN:
x
AU1552
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WW-uitkering en verlaging ZW-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4021 ZW en 03/4022 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. A.E.E. Vollebregt, werkzaam bij De Unie te Bergen op Zoom, op bij aanvullende beroepschriften ingediende gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Breda op 27 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraken, reg.nrs. 02/1636 WW en 02/2300 ZW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief (met bijlagen) van 31 maart 2005 antwoord gegeven op enkele vragen van de Raad.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 mei 2005, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft appellant over de periode van 30 december 1996 tot en met 31 maart 1997 uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) verstrekt en over de periode van 1 april 1997 tot en met 29 juni 1997 uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW).

Uit een onderzoek binnen de administraties van diverse failliete transportbedrijven is blijkens een op 19 december 2000 door een fraudecontroleur van de Opsporingsdienst Regio West opgesteld rapport bekend geworden dat gegevens van appellant aanwezig zijn in de administratie van diverse transportbedrijven. In die rapportage is geconcludeerd dat appellant in de periode van 9 maart 1997 tot en met 29 juni 1997 werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten en dat het door appellant opgegeven aantal uren dat hij zou hebben gewerkt niet overeenstemt met het werkelijke aantal gewerkte uren.

Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 16 februari 2001 de WW-uitkering per 31 maart 1997 herzien en bij besluit van 19 februari 2001 de ten onrechte ontvangen WW-uitkering over de periode van 31 maart 1997 tot en met 29 juni 1997 ad 12.290,64 ( 5.577,25) teruggevorderd. Bij besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 en 19 februari 2001 gegrond verklaard, in die zin dat WW-uitkering over de periode van 31 maart 1997 tot en met 11 mei 1997 volledig wordt herzien en het over die periode onverschuldigd betaalde bedrag van 4.616,04 wordt teruggevorderd. Desgevraagd heeft gedaagde laten weten dat sprake is van een kennelijke misslag en dat voor 31 maart 1997, 1 april 1997 moet worden gelezen.

Gedaagde heeft voorts bij besluit van 7 februari 2002 de ZW-uitkering met ingang van 9 maart 1997 verlaagd naar 0,0 bruto, bij besluit van 11 februari 2002 de ten onrechte ontvangen ZW-uitkering over de periode van 9 maart 1997 tot en met 31 maart 1997 ad 877,12 teruggevorderd en bij besluit van 21 februari 2002 een boete opgelegd van 99,00. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7, 11 en 21 februari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft beide beroepen ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerder in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij geen daadwerkelijke werkzaamheden heeft verricht, maar slechts is meegereden met een kennis die nog niet over het vereiste chauffeursdiploma beschikte. Voor deze ritten zou hij geen loon, doch slechts onkostenvergoedingen hebben ontvangen.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op het verhandelde ter zitting van 25 mei 2005 is de Raad van oordeel dat gedaagde appellant terecht heeft ontvangen in zijn bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2001.

Met gedaagde en de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde gegevens in onderlinge samenhang bezien, voldoende steun voor het oordeel dat appellant in de periode van 9 maart 1997 tot en met 11 mei 1997 werkzaamheden als internationaal chauffeur heeft verricht voor [naam werkgever]. Dit blijkt met name uit het vrkomen van de naam van appellant op diverse tachograafschijven, in combinatie met de facturen aan opdrachtgevers waarin de naam van appellant is vermeld en de door appellant getekende kwitanties. Met de enkele stelling dat hij geen loon heeft ontvangen, heeft appellant de in dossier aanwezige gegevens onvoldoende kunnen weerleggen.

Appellant heeft van deze werkzaamheden bij gedaagde geen melding gemaakt in de periode dat hij ziekengeld ontving, terwijl hij in de periode dat hij WW-uitkering ontving deze werkzaamheden niet heeft opgegeven op zijn werkbriefjes. Dusdoende heeft appellant zich niet gehouden aan de op hem geldende inlichtingenplicht op grond van respectievelijk artikel 31 en 49 van de ZW en artikel 25 van de WW.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat gedaagde op goede gronden onder toepassing van respectievelijk artikel 30a van de ZW en artikel 22a van de WW is overgegaan tot herziening van de ZW-uitkering over de periode van 9 maart 1997 tot en met 31 maart 1997 en van de WW-uitkering over de periode van 1 april 1997 tot en met 11 mei 1997. Gedaagde is eveneens terecht tot de conclusie gekomen dat de als gevolg hiervan te veel betaalde ZW- en WW-uitkering op grond van respectievelijk artikel 33 van de ZW en artikel 36 van de WW dient te worden teruggevorderd. Voorts is gedaagde terecht overgegaan tot het opleggen van een boete op grond van artikel 45a van de ZW en verenigt de Raad zich met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de boete. Niet gebleken is dat bij appellant sprake is van omstandigheden die nopen tot het aannemen van dringende redenen op grond waarvan van de terugvordering en het opleggen van een boete moet worden afgezien.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x