Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU1869
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ten onrechte is aan betrokkene ziekengeld geweigerd. Betrokkene leed ook ten tijde in geding aan een obsessief-compulsieve stoornis van een zodanige ernst dat normaal functioneren in arbeid redelijkerwijs niet mogelijk was.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/191 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 9 juni 2000 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank ís-Gravenhage heeft bij uitspraak van 18 november 2002 (AWB 00/7522 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater te Amsterdam, op 7 maart 2005 een rapport uitgebracht omtrent appellants gezondheidstoestand.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 20 juli 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft blijkens de gedingstukken vanaf 2 januari 1995 een werkloosheidsuitkering ontvangen op basis van een dienstverband voor 20 uur per week. Die uitkering is 28 juli 1997 geheel of gedeeltelijk beŽindigd in verband met werkzaamheden als oproeptolk. De maximale uitkeringsduur werd bereikt op 17 augustus 1999 en appellant heeft destijds vanaf 11 juli 1999 tot 3 januari 2000 ziekengeld ontvangen.

Appellant is op 3 januari 2000 als administratieve kracht in dienst getreden bij Stichting Werkbij te ís-Gravenhage. Op 1 februari 2000 heeft hij zich wegens psychische klachten ziek gemeld. Appellant is vervolgens in de proeftijd ontslagen.

Terzake van dit ziektegeval heeft appellant op 31 maart 2000 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die appellants klacht van slapeloosheid geen reden voor arbeidsongeschiktheid vond en hem per 3 april 2000 hersteld verklaarde voor zijn werk.

Bij besluit van 31 maart 2000 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 3 april 2000 geen ziekengeld meer toegekend.

In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts E.G. van der Jagt, die appellants psychische klachten onvoldoende geobjectiveerd achtte en hem in staat achtte adequaat persoonlijk en sociaal te functioneren.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2000 ongegrond verklaard.

In dit geding is aan de orde de vraag of aan appellant terecht met 3 april 2000 geen ziekengeld meer is toegekend.

De Raad heeft met het oog op de beantwoording van deze vraag advies gevraagd aan prof. dr. G.F. Koerselman, voornoemd. In zijn uitvoerige rapport heeft deze deskundige uiteengezet dat appellant ten tijde van het onderzoek en ook ten tijde in geding leed aan een obsessief-compulsieve stoornis van een zodanige ernst dat normaal functioneren in arbeid redelijkerwijs niet mogelijk was. De obsessief-compulsieve verschijnselen hielden appellant nachtenlang bezig en verstoorden ook zijn functioneren overdag. De conclusies van ís-Raads deskundige komen overeen met die van de door appellant geraadpleegde psychiater prof. dr. M. Kuilman, die op 29 mei 2001 een rapport heeft uitgebracht. Ook de door de rechtbank ingeschakelde deskundige psychiater E.F. van Ittersum heeft die diagnose gesteld, maar zich nadrukkelijk niet uitgelaten over appellants mogelijkheden tot arbeid.
De Raad acht de door zijn deskundige getrokken en van de zijde van gedaagde niet bestreden conclusie overtuigend en is op grond daarvan van oordeel dat de hiervoor opgeworpen vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, dat daarbij in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.

De Raad overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat gedaagde nalatig is gebleven uitkering betaalbaar te stellen vanaf 3 april 2000. Ingevolge ís-Raads jurisprudentie dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden toegewezen.
Uit ís-Raads uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop gedaagde in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 mei 2000. Voor de wijze waarop gedaagde de aan appellant toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en Ä 1970,- voor kosten van een deskundigenrapport en Ä 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal Ä 2936,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot Ä 2936,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van Ä 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x