Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU2729
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering toekenning ziekengeld omdat sprake zou zijn van een benadelingshandeling.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3746 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 1 juni 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit (het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 juni 2002 (AWB 01/909 ZW) het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. F.E.H.M. van Aken, advocaat te Geleen, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft bij brieven van 28 oktober 2002 en 13 januari 2003 van de zijde van appellant nadere informatie ontvangen.
Naar aanleiding van deze laatste informatie heeft gedaagde op 1 november 2004 ten aanzien van appellant een nieuw besluit ter uitvoering van de Ziektewet genomen en de Raad hiervan een kopie doen toekomen.

Partijen hebben de Raad toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Appellant, die zich op 30 januari 2001 bij zijn werkgever heeft ziek gemeld, is op
6 februari 2001 op staande voet ontslagen.

Bij besluit van 12 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant per 6 februari 2001 ziekengeld toe te kennen, omdat sprake zou zijn van een benadelingshandeling.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van een door het Gerechtshof te s-Hertogenbosch op 18 december 2002 gewezen arrest, waarbij het aan appellant op 6 februari 2001 gegeven ontslag op staande voet is vernietigd, heeft gedaagde op 1 november 2004 een nieuw besluit afgegeven. Daarbij is de aanvraag van appellant om toekenning van uitkering krachtens de Ziektewet per 6 februari 2001 afgewezen, omdat zijn dienstverband per die datum niet is beindigd en hij recht heeft op doorbetaling van loon.

Appellants gemachtigde heeft bij brief van 29 december 2004 aan de Raad meegedeeld dat het nadere besluit van 1 november 2004 om hem niet in aanmerking te brengen voor ziekengeld correct is. Hij heeft bij deze brief de Raad verzocht een proceskostenveroordeling ten laste van het Uwv uit te spreken en het hoger beroep slechts in die zin nog gehandhaafd.

De Raad stelt gezien het vorenstaande vast dat appellant geen belang meer heeft bij handhaving van het hoger beroep, zodat hij hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 966,-.

Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 109,23,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x