Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU5565
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht niet langer ongeschikt geacht voor zijn arbeid? Deugdelijkheid motivering. Tiendagentermijn. Heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om nadere ingebrachte informatie te weigeren op grond van artikel 8:58 van de Awb?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6018 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 11 februari 2003 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank ís-Gravenhage heeft bij uitspraak van 24 oktober 2003 (reg.nr.: AWB 03/1223 ZW), onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt. Daarbij is appellant tevens veroordeeld tot vergoeding van de door gedaagde gemaakte proceskosten en het door hem gestorte griffierecht.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Daarbij is een nader commentaar van de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger overgelegd.

Namens gedaagde heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ís-Gravenhage, op 11 maart 2004 een verweerschrift ingediend, waarop appellant vervolgens heeft gereageerd bij brief van 19 maart 2004.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 september 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.M. Folkers, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Samama, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde is op 1 december 2000 een tijdelijke dienstbetrekking aangegaan bij Kwekerij Vlieland te Bleiswijk. Hij was aldaar werkzaam als productiemedewerker.
Op 19 februari 2001 heeft hij zich ziek gemeld voor zijn arbeid met name wegens pijnklachten in de linkerschouder als gevolg van een slijmbeursontsteking (bursitis). Het dienstverband is per 30 maart 2001 geŽindigd. Ter zake van zijn ziekmelding is gedaagde op 23 juli 2001 gezien door verzekeringsarts N.L. van Luntesburg. Deze heeft op basis van zijn eigen bevindingen gedaagde per 24 juli 2001 niet langer ongeschikt geacht voor zijn arbeid, welk oordeel is neergelegd in een besluit van 24 juli 2001. Het bezwaar van gedaagde tegen dit besluit heeft appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard omdat het bestreden besluit volgens de rechtbank niet berust op een deugdelijke motivering.
Gedaagde heeft in beroep op 26 augustus 2003 nadere informatie van zijn behandelend neuroloog dr. Ch. J. Vecht aan de rechtbank gezonden. De rechtbank stelt vast dat deze informatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn van 10 dagen voorafgaand aan de zitting van 2 september 2003 bij de rechtbank is binnen gekomen. Gelet op de door gedaagde ter zitting gegeven nadere toelichting is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het desbetreffende stuk nodig is voor een juiste beoordeling van het geschil. Zij heeft geen aanleiding gezien het stuk te weigeren op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is van oordeel dat appellant zijn proceskeuze heeft bepaald door niet ter zitting te verschijnen.

Uit de brief van de neuroloog blijkt dat de bestaande linkerschouderklachten van gedaagde ten onrechte zijn geduid als een bursitis, nu bij neurologisch onderzoek is vastgesteld dat bij gedaagde sprake is van een radiculair syndroom C7 links. Appellant is volgens de rechtbank bij het bestreden besluit uitgegaan van de onjuiste diagnose bursitis en de daarbij behorende beperkingen. Dat appellant ten tijde van het nemen van dit besluit niet beschikte over de informatie van de neuroloog doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Appellant heeft zich met de uitspraak van de rechtbank niet kunnen verenigen. Appellant heeft in hoger beroep grieven van zowel procedurele als van inhoudelijke aard aangevoerd. Appellant voert aan dat de rechtbank in strijdt met artikel 8:58 van de Awb de binnen de 10 dagen voor de zitting door gedaagde ingezonden brief van de neuroloog als gedingstuk heeft geaccepteerd. Nu de rechtbank appellant niet in de gelegenheid heeft gesteld zich over de inhoud van het stuk uit te laten, heeft de rechtbank volgens appellant in strijd met de beginselen van een goede procesorde gehandeld.
Voor de inhoudelijke gronden verwijst appellant naar het in hoger beroep overgelegde commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Logger. Deze concludeert dat het stellen van een andere diagnose geen andere beperkingen met zich meebrengt en dat daarnaast de in maart 2003 gestelde diagnose ook niet zonder meer van toepassing kan worden geacht op de datum in geding, te weten 24 juli 2001. Appellant blijft dan ook van mening dat gedaagde terecht hersteld is verklaard per 24 juli 2001.

Wat betreft de procedurele grieven overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge het eerste lid van artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot 10 dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
De Raad stelt vast dat gedaagde de nadere informatie van de behandelend neuroloog op 26 augustus 2003, en derhalve met overschrijding van genoemde termijn van 10 dagen voor de zitting, aan de rechtbank heeft gezonden. De Raad is van oordeel dat de rechtbank dit stuk niet zonder meer had mogen accepteren. Weliswaar laat artikel 8:58 van de Awb de rechtbank een zekere vrijheid in haar beoordeling of een binnen 10 dagen voor de zitting door een partij ingezonden stuk bij de beoordeling van het geding zal worden betrokken, maar zij zal daarbij aan het procesbelang van de andere partij zwaarwegende betekenis dienen te hechten.
In aanmerking genomen dat appellant door het in een zo laat stadium van de procedure in het geding brengen van dat stuk daarop niet naar behoren heeft kunnen reageren, had de rechtbank, gelet op de aard en de inhoud van dit stuk ter vermijding van de situatie die artikel 8:58 van de Awb juist wenst te voorkomen, gebruik dienen te maken van haar bevoegdheid tot schorsing van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb dan wel tot heropening van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:68 van de Awb, teneinde appellant in de gelegenheid te stellen zich over de inhoud van het bedoelde stuk uit te laten. Door dit achterwege te laten heeft de rechtbank in strijd gehandeld met beginselen van een goede procesorde.

De Raad overweegt voorts dat er geen belemmering bestaat het hiervoor bedoelde stuk in hoger beroep wel bij de beoordeling van het geding te betrekken, nu de situatie waarop 8:58, eerste lid, van de Awb ziet, zich thans ten aanzien van genoemd stuk niet voordoet en appellant voldoende kennis heeft kunnen nemen van het hiervoor bedoelde stuk.

Naar aanleiding van de inhoudelijke gronden van appellants beroep met betrekking tot het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

De bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg heeft gedaagdes belastbaarheid in de bezwaarfase opnieuw bezien. Uit overweging van zorgvuldigheid heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend neuroloog Vecht en de huisarts R.P.J.M. Crijns. In een brief van 18 oktober 2001 stelt de neuroloog dat de pijnlijke schouder van gedaagde imponeert als een bursitis. Bij neurologisch onderzoek werden verder geen objectiveerbare afwijkingen gevonden. De bezwaarverzekeringsartsen Versteeg en J.H. Logger onderschrijven, na kennis te hebben genomen van de informatie uit de behandelend sector en het rapport d.d. 8 oktober 2002 van de arbeidsdeskundige J.A.M. Snijder waarin de werkzaamheden in gedaagdes arbeid zijn beschreven, in hun rapportages de conclusie van verzekeringsarts Luntesburg.
Naar het oordeel van de Raad hebben de betrokken bezwaarverzekeringsartsen op verantwoorde wijze geconcludeerd dat gedaagdes medische klachten c.q. beperkingen op de datum in geding niet van dien aard waren dat hij daardoor ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
De Raad ziet in de nader overgelegde informatie d.d. 20 maart 2003 van neuroloog Vecht, voornoemd, onvoldoende reden om tot een ander oordeel te komen dan in het bestreden besluit is neergelegd. De Raad verwijst in dit verband naar het in hoger beroep overgelegde commentaar van bezwaarverzekeringsarts Logger d.d. 23 januari 2003 (lees 10 november 2003). Daarin wordt terecht opgemerkt dat de in 2003 gestelde nieuwe diagnose (radiculair syndroom C7 links) niet zondermeer ook ziet op de datum in geding, te weten 24 juli 2001. Dienaangaande verenigt de Raad zich met het oordeel van appellant dat het stellen van een andere diagnose niet leidt tot het aannemen van andere beperkingen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van gedaagde om een deskundige te benoemen.

Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Diezelfde overwegingen hebben de Raad tevens tot het oordeel gebracht dat niet is gebleken van enige grond om het bestreden besluit onjuist te achten, hetgeen met zich mee brengt dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x