Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU8968
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ziekengeld. Er is geen sprake van ongeschiktheid voor het eigen werk.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/537 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is mr. P.G.J.M. Boonen, destijds werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Maastricht op 16 december 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 2003/793 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Bij brief van 3 november 2005 heeft de opvolgend gemachtigde van appellante, mr. G.R. Faber, eveneens werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand Tilburg, ter ondersteuning van het hoger beroep nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 november 2005, waar appellante - zoals was aangekondigd - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante is vanaf 1 maart 1991 werkzaam geweest als apothekerassistente voor zes uur per week. Op 1 juli 1994 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens klachten aan de rechterpols. Per 1 februari 1995 heeft appellante voor drie uur per week hervat in haar werk als apothekersassistente, waarbij bij de op te dragen werkzaamheden rekening werd gehouden met de medische beperkingen van appellante. Per 1 juni 1999 is het desbetreffende dienstverband beŽindigd en met ingang van deze datum is aan appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Per 14 februari 2002, op welk moment appellante nog een WW-uitkering ontving, heeft zij zich ziek gemeld wegens onder meer klachten aan handen en voeten, hoofdpijn, duizeligheid, vermoeidheid en last van trillen.

Op 4 april 2002 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts R. Neuhaus, die hierover op dezelfde dag een rapport heeft uitgebracht. Hierin is vermeld dat bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen aan de handen konden worden vastgesteld en evenmin aan de ellebogen, schouders en heupen. Volgens Neuhaus was appellante per 4 april 2002 geschikt voor haar werk als apothekerassistente.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 19 april 2002 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 4 april 2002 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke op 5 april 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellante overgangsklachten heeft en pijnklachten die passen bij fibromyalgie, maar dat bij haar geen objectiveerbare medische afwijkingen kunnen worden vastgesteld. Voorts heeft Fokke van belang geacht dat appellante een WW-uitkering ontving op basis van een arbeidsduur van drie uur per week en dat de door appellante verrichte werkzaamheden afgestemd waren op de voor haar in 1995 vastgestelde arbeidsbeperkingen. Volgens Fokke is daarom door de verzekerings-arts Neuhaus terecht geconcludeerd dat appellante geschikt was voor haar arbeid.

Bij besluit van 23 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat er, gelet op de beschikbare medische gegevens, onvoldoende aanwijzingen zijn dat appellante op en na 4 april 2002 zodanige objectiveerbare medische beperkingen had dat zij haar arbeid niet kon of mocht verrichten.

In hoger beroep heeft appellante, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest en dat haar klachten in verband met fibromyalgie zijn onderschat. Daarbij heeft zij er op gewezen dat naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding per 17 juni 2003 een ZW-uitkering is toegekend, waarbij de fibromyalgieklachten wel zijn erkend.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit berust mede op de resultaten van het door de verzekeringsarts Neuhaus op 4 april 2002 verrichte medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsartsen die vervolgens bij de beoordeling zijn betrokken, hebben mede in aanmerking genomen dat bij appellante op 4 april 2002 geen objectiveerbare medische afwijkingen konden worden vastgesteld en dat de urenomvang van de maatgevende arbeid zeer beperkt was. Naar het oordeel van de Raad is het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. Het is de Raad, mede gezien de beschikbare medische informatie uit de behandelend sector, niet gebleken dat het standpunt van gedaagde dat appellante op en na 4 april 2002 geschikt was te achten voor haar arbeid, onjuist zou zijn. De omstandigheid dat appellante naar aanleiding van een ziekmelding per 17 juni 2003 door de betrokken verzekeringsarts wel ongeschikt is geacht voor haar arbeid, doet hier naar het oordeel van de Raad niet aan af. In dit verband verwijst de Raad naar het door gedaagde ingebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan van 5 maart 2004. Hierin is, onder verwijzing naar medische stukken uit de periode januari tot juli 2003, aangegeven dat op 17 juni 2003 ten opzichte van 4 april 2002 sprake was van een toename van de subjectieve pijnklachten en van een verminderde handkracht aan de (dominante) rechterzijde. Volgens Tetelepta-Tan is met name deze laatste omstandigheid reden geweest om appellante per 17 juni 2003 ongeschikt voor haar arbeid te achten. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om deze bevindingen in twijfel te trekken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken op 28 december 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x