Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AU9889
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van het dagloon. Verzoek om schadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5842 ZW en 05/1292 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 7 september 2004 onder kenmerk 03/3372 door de rechtbank Rotterdam gewezen uitspraak. Bij brieven van 6 november 2004 en 7 december 2004 zijn de hoger beroepsgronden aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde heeft een besluit van 23 februari 2005 toegezonden. Van de zijde van de Raad is daarop aan partijen bericht dat de Raad vooralsnog heeft besloten om bij de behandeling van het geding onder nummer 04/5842 ZW tevens een oordeel te geven over dit besluit.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft appellant medegedeeld dat hij zich niet kan verenigen met het besluit van 23 februari 2005.

Bij brieven van 17 april 2005, 18 mei 2005, 26 juli 2005, 27 juli 2005 en 5 augustus 2005 heeft appellant nadere toelichtingen gegeven op zijn standpunt.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen partijen met reg. nr 05/188 WW, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 september 2005. Daar is appellant niet verschenen en heeft gedaagde zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede en mr. M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het Uwv. In dit geding wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Appellant was onder meer werkzaam als beveiligingsmedewerker via Accord uitzendbureau. In de nacht van 11 op 12 november 2001 heeft appellant tijdens zijn werkzaamheden als beveiligingsmedewerker een bedrijfsongeval gehad op grond waarvan hij ongeschikt werd tot het verrichten van zijn arbeid. Het uitzendbureau en de inlener zijn uitgegaan van de datum van zondag 11 november 2001 als de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Gedaagde is hiervan eveneens uitgegaan en heeft appellant met inachtneming van artikel 3 van de Dagloonregelen Ziektewet met ingang van 11 november 2001 een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toegekend. In de vaststelling van het dagloon zijn niet meegenomen de verdiensten van appellant uit week 45 van 2001. Bij zijn besluit op bezwaar van 3 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het dagloon vastgesteld op 116,21.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij heeft hij aangevoerd dat gedaagde ten onrechte zijn verdiensten uit week 45 van het jaar 2001 niet in het dagloon heeft betrokken. Appellant heeft daarbij onder meer gesteld dat het bedrijfsongeval als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geworden niet heeft plaatsgevonden op zondag 11 november 2001, maar in de vroege ochtend van maandag 12 november 2001, zodat in week 45 sprake is geweest van een volledige werkweek.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat op grond van de gedingstukken zeer aannemelijk is geworden dat het bedrijfsongeval op 11 november 2001 heeft plaatsgevonden zodat gedaagde terecht is uitgegaan van die datum als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de verdiensten uit week 45 niet bij het dagloon heeft betrokken.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of het besluit van 23 februari 2005 op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling van het hoger beroep inzake het besluit van 3 oktober 2003 kan worden betrokken. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt hij dat artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, geen verandering brengt in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Het besluit van 23 februari 2005 is genomen naar aanleiding van een nieuw verzoek van appellant om het besluit van 3 oktober 2003 te herzien, dat hij onder meer op 10 augustus 2004 buiten het (hoger) beroep om heeft gedaan. Het betreft een verzoek om het dagloon ingevolge de ZW te verhogen na een nabetaling van 800,00 van de werkgever Accord in verband met een tussen appellant en Accord tot stand gekomen schikking. Nu het besluit van 23 februari 2005 niet berust op dezelfde feitelijke grondslag als het besluit van 3 oktober 2003 is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De Raad merkt het besluit van 23 februari 2005 dan ook aan als een primair besluit naar aanleiding van de nabetaling van de werkgever en gaat ervan uit dat gedaagde de brief van appellant van 29 maart 2005 als bezwaarschrift tegen dat besluit in behandeling zal nemen.

Gelet op het voorgaande heeft het geding uitsluitend betrekking op het besluit van 3 oktober 2003. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat zijn verdiensten in week 45 ten onrechte niet bij het dagloon zijn betrokken en erop gewezen dat zijn surveillancedienst is aangevangen op maandag 12 november 2001 om 00.09 uur en dat het ongeval kort daarna heeft plaatsgevonden. Appellant heeft voorts verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen ten bedrage van 75.000,00, maar in elk geval ter hoogte van de wettelijke rente.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde het dagloon op de juiste wijze heeft vastgesteld. Aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen voegt hij nog het volgende toe.

Op grond van artikel 3 van het Lisv-besluit van 23 augustus 2000, Stcrt. 2000, 170 (Regeling bepaling eerste werkdag), wordt, indien de verzekerde het werken staakt tijdens een nachtdienst als eerste werkdag waarop ongeschiktheid tot werken bestaat aangemerkt de dag waarop de nachtdienst is aangevangen. Onder meer uit het door appellant bij het beroepschrift aan de rechtbank gevoegde overzicht feituren blijkt dat zijn dienst is aangevangen op 11 november 2001 om 23.00 uur. De eerste ziektedag van appellant was dan ook 11 november 2001, welke dag ligt in week 45. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene Dagloonregelen ZW kan het loon van appellant over week 45 niet worden meegenomen bij de bepaling van de hoogte van het dagloon. Appellant is immers ziek geworden in week 45 en die week kan dan ook geen volledige salarisbetalingsperiode vormen. Gedaagde heeft de verdiensten over die week dus terecht niet in het dagloon betrokken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Awb in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x