Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AV0214
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ZW-uitkering op de grond dat betrokkene in de periode in geding niet arbeidsongeschikt wordt geacht.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/940 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 6 januari 2005, nummer 04/2338 ZW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 oktober 2005 heeft de gemachtigde van appellant de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het geding is - gevoegd met het geding onder nummer 03/1382 WAO - behandeld ter zitting van de Raad op 11 november 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Van den Brom, voornoemd, en waar gedaagde zich - zoals telefonisch aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant is in Nederland laatstelijk werkzaam geweest als medewerker komkommerteelt in dienst van de [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Nadat hij op 7 december 1991 als illegale vreemdeling het land was uitgezet, heeft hij zich vanuit Marokko per 12 december 1991 ziek gemeld via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS). Deze instantie heeft diverse formulieren MN 116 aan gedaagde toegezonden, volgens welke appellant arbeidsongeschikt was wegens maag- en nierklachten, duizeligheid, slapeloosheid en een anxiodepressief syndroom.

Uit het dossier blijkt niet dat gedaagde naar aanleiding van de ziekmelding en de overgelegde stukken de aanspraken van appellant op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft beoordeeld. Eerst nadat gedaagde op 30 november 2001 een beslissing op bezwaar had genomen ter zake van appellants aanvraag om een WAO-uitkering (zie de uitspraak van heden in het geding onder nummer 03/1382 WAO), heeft hij in reactie op een daartoe strekkend verzoek van de gemachtigde van appellant bij besluit van 31 december 2002 geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen, op de grond dat hij gedurende de periode van 12 december 1991 tot 11 december 1992 niet arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de tegen het besluit van 31 december 2002 ingebrachte bezwaren ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er op grond van de beschikbare medische gegevens geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de door gedaagde in het bestreden besluit neergelegde conclusie dat appellant in de periode van 12 december 1991 tot 11 december 1992 in staat moest worden geacht zijn arbeid te verrichten. Voorts is overwogen dat de bevindingen in de rapporten van de neuroloog E.F. Schreuder van 11 oktober 1999 en de psychiater K.R.M. Wettstein van 8 november 1999, op verzoek van gedaagde uitgebracht met het oog op de WAO-beoordeling, aanleiding geven om de verklaringen van de CNSS voor onjuist te houden.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad inzake artikel 7 van het Administratief Akkoord met Marokko gedaagde in beginsel de door de CNSS ingezonden rapporten dient te volgen, tenzij er voldoende duidelijke aanwijzingen zijn om het oordeel van de CNSS voor onjuist te houden. Appellant stelt zich op het standpunt dat van voldoende duidelijke aanwijzingen als hier bedoeld geen sprake is, nu Schreuder en Wettstein niet deskundig zijn op het gebied van de klachten, waarmee appellant in 1991 is uitgevallen en zij voorts - gelet op de hun voorgelegde vraagstelling en op het feit dat zij appellant onderzocht hebben in het kader van een WAO-beoordeling - niet geacht kunnen worden een medisch oordeel te geven omtrent de gezondheidssituatie van appellant in het ZW-jaar.
In het in rubriek I vermelde schrijven van 28 oktober 2005 heeft de gemachtigde van appellant voorts een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor appellant aanspraak maakt op schadevergoeding.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad brengt een juiste toepassing van de ZW en van - in het bijzonder - artikel 7 van het Administratief Akkoord betreffende de wijze van toepassing van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, mee dat de conclusie van de CNSS omtrent de (on)geschiktheid tot werken moet worden gevolgd tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn om die conclusie voor onjuist te houden. Daarbij dienen zekere grenzen in acht te worden genomen als aangegeven in de uitspraak van de Raad van 27 november 1991, gepubliceerd in RSV 1992/117.

Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde aan zijn besluit tot weigering van ziekengeld van 31 december 2002 ten grondslag gelegd een intern memo van de stafverzekeringsarts R.L.P. Broeders van 30 december 2002, waarin deze op basis van de dossierstukken aangeeft dat uit de door Schreuder en Wettstein verrichte expertises eenduidig en onmiskenbaar blijkt dat er bij appellant geen diagnose te stellen is en dat er derhalve geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek, welke conclusie teruggaat tot de geclaimde eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het leek Broeders dan ook, mede in het licht van de een weinig betrouwbare indruk makende CNSS-rapporten, dat die conclusie evenzeer kon geleden voor het ZW-jaar. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma in het kader van de bezwaarschriftprocedure op 12 juli 2003 en 23 september 2003 gerapporteerd. Deze zag in het feit dat appellant zich kort vóór zijn uitzetting uit Nederland in december 1991 tot zijn huisarts J.J.H. Vrolijk had gewend in verband met psychische klachten en in de Marokkaanse rapporten, die slechts conclusies en geen onderzoeksgegevens c.q. argumentatie bevatten, geen reden om vanaf december 1991 arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW aan te nemen.

In de omstandigheden van het onderhavige geval ziet de Raad geen aanleiding om van zijn vaste rechtspraak, als hierboven weergegeven, af te wijken.
Dienaangaande overweegt de Raad dat appellant zich blijkens de dossierstukken bij zijn laatste werkgever in Nederland enkele malen eerder heeft ziek gemeld, te weten per 30 mei 1991 en 11 november 1991. De laatste ziekteperiode duurde tot 28 november 1991. In verband hiermee heeft gedaagde aan appellant een ZW-uitkering toegekend. Op 3 december 1991 verwees de huisarts Vrolijk appellant naar een psychiater, omdat appellant sinds enige weken problemen had met spanningshoofdpijn en slapeloosheid en hij een depressieve indruk maakte. Op 12 december 1991 heeft appellant zich vervolgens vanuit Marokko ziek gemeld met genoemde klachten en daarnaast maag- en nierklachten. Blijkens de in het dossier aanwezige formulieren MN 116 werden deze klachten door de CNSS-artsen bij appellant gedurende het gehele ZW-jaar aanwezig geacht. Eerst in oktober 1999 heeft gedaagde appellant in Nederland laten onderzoeken door de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk, de neuroloog Schreuder en de psychiater Wettstein. Deze onderzoeken werden echter verricht met het oog op de beoordeling van de mate van arbeids(on)geschiktheid in het kader van de uitvoering van de WAO en de vraagstelling was niet gericht op de gezondheidstoestand van appellant in de in dit geding van belang zijnde periode van 12 december 1991 tot 11 december 1992 en evenmin op het al dan niet bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van de eigen arbeid als medewerker in de komkommerteelt. In de uitgebrachte rapporten is door Schreuder en Wettstein - die immers niet gespecialiseerd zijn in de interne geneeskunde - voorts geen aandacht besteed aan de bij appellant in genoemde periode aanwezige maag- en nierklachten. Van duidelijke aanwijzingen die aanleiding zouden kunnen vormen om van de conclusies van de CNSS met betrekking tot de in geding zijnde periode af te wijken, als hierboven bedoeld, acht de Raad derhalve geen sprake.

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen voor vernietiging in aanmerking.

Appellants gemachtigde heeft verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellant als gevolg van het bestreden besluit lijdt.

Ingevolge ’s Raads jurisprudentie dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop gedaagde de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314.

Namens appellant is tevens verzocht om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de trage besluitvorming aan de kant van gedaagde, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM zou zijn overschreden.
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellant op 10 januari 2003 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 31 december 2002 en dat de Raad in hoger beroep op 20 januari 2006 uitspraak doet. Naar het oordeel van de Raad is daardoor de totale duur van de procedure niet van dien aard dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Onder verwijzing naar ‘s Raads uitspraak van 8 december 2004 (LJN AR7273) dient het verzoek om vergoeding van immateriële schade derhalve te worden afgewezen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de renteschade als hiervoor overwogen;
Wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x