Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AV7816
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene ten onrechte ziekengeld geweigerd? Geschiktheid voor de voorgehouden functies. Medisch oordeel van een deskundige.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3070 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 27 juli 2000 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 24 april 2002 (AWB 00-7824 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. J.B. de Jong, advocaat te Haarlem, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Als bijlage is meegezonden een - nadien nog aangevuld - psychiatrisch rapport van het Leids Universitair Medisch Centrum.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft R. Kok, psychiater te Bloemendaal, zijn op verzoek van de rechtbank uitgebrachte rapport bij brief van 19 april 2004 nader toegelicht. Psychiater G.F. Tabeling van voormeld medisch centrum heeft hierop bij brief van 9 juni 2004 gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 juli 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Meijer, advocaat te Haarlem, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

Na heropening van het onderzoek heeft prof. dr. W. van Tilburg, psychiater, op verzoek van de Raad op 12 januari 2005 een rapport uitgebracht.
Naar aanleiding hiervan is door gedaagde een commentaar van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst ingezonden. Voornoemde deskundige heeft op verzoek van de Raad hierop bij brief van 29 september 2005 gereageerd. Van de zijde van gedaagde heeft de Raad vervolgens nog een commentaar van een bezwaarverzekeringsarts ontvangen.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Appellante is na beëindiging van haar werk als baliemedewerkster bij de PTT in januari 1999 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt geworden. Zij is in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, welke per 18 december 1999 was verstreken, niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Zij werd destijds geschikt geacht voor functies waarmee zij een zodanig inkomen kon verdienen dat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wet.

Appellante heeft zich op 22 mei 2000, na drie dagen te hebben gewerkt via een opleidingscentrum van het GWK, bij gedaagde wegens psychische klachten ziek gemeld. Bij besluit van 20 juni 2000 is aan appellante geen ziekengeld toegekend, omdat zij niet ongeschikt werd geacht voor de hiervoor bedoelde functies.

In de bezwaarfase is appellante gezien door bezwaarverzekeringsarts Hulst voornoemd, die geen aanwijzingen zag voor aperte psychische stoornissen en appellante onverminderd in staat achtte de geduide functies te verrichten.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit dan ook ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het inleidend beroep ongegrond verklaard en daartoe beslissende betekenis toegekend aan het op haar verzoek door psychiater Kok voornoemd als deskundige op 20 april 2001 uitgebrachte - en nadien nog aangevulde - rapport.
De Raad heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW heeft de verzekerde - voorzover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW in een dergelijk geval te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.
In aanmerking nemend dat appellante ten tijde van haar ziekmelding van 22 mei 2000 slechts enkele dagen in opleiding was geweest bij het GWK, maar niet daadwerkelijk bij dit kantoor heeft gefunctioneerd, heeft gedaagde terecht niet dit werk maar voormelde functies als maatstaf arbeid aangehouden.

De Raad beantwoordt de vraag of gedaagde terecht heeft besloten om aan appellante met ingang van 22 mei 2000 geen ziekengeld toe te kennen anders dan de rechtbank ontkennend en heeft daartoe doorslaggevende betekenis toegekend aan het hiervoor vermelde rapport dat psychiater Van Tilburg als deskundige in samenwerking met dr. M.M.J. Smeets-Janssen heeft opgesteld.

Op basis van een zeer uitvoerig onderzoek en na een zorgvuldige uiteenzetting van de diagnostische, therapeutische en beleidsmatige overwegingen, waarin kennisneming van alle relevante medische gegevens is verwerkt, heeft de deskundige geconcludeerd dat appellante op de in geding zijnde datum een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve kenmerken had, die tot ernstige beperkingen in het psychisch functioneren leidde. Als gevolg hiervan kon zij volgens de deskundige op de hier relevante datum geen van de bedoelde functies vervullen. In reactie op een commentaar van bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft de deskundige uiteengezet dat bij de getrokken conclusie de DSM-IV criteria streng zijn toegepast en verder benadrukt dat met name in de voor dit geding relevante periode sprake was van serieus te nemen psychopathologie.

De Raad ziet gelet op deze nadere uiteenzetting, waarbij de deskundige zijn conclusie serieus heeft heroverwogen en gemotiveerd heeft gehandhaafd, geen reden om die conclusie niet te volgen. Ook het van de zijde van gedaagde nader geleverde commentaar vormt hiertoe geen reden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 37,24 aan reiskosten in hoger beroep. Ook de kosten van de op verzoek van appellante uitgebrachte psychiatrische rapporten ten bedrage van € 749,20 komen voor vergoeding in aanmerking.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2074,44, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x