Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AV7832
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het bezwaar terecht wegens overschrijding van de in artikel 75a van de ZW gestelde termijn van twee weken niet-ontvankelijk verklaard?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/824 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 22 juli 2002 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 januari 2004 (AWB 02/3896 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 februari 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft gedaagde bij brief van 20 december 2001 in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan haar ter zake van een ziekmelding van 17 september 2001 geen ziekengeld is toegekend.

Bij brief van 7 januari 2002 heeft gedaagde - onder toezending van een kopie van een op 24 december 2001 gedateerd bezwaarschrift - bij appellant ge´nformeerd of dit in behandeling was genomen.

Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij brief van 18 januari 2002 bevestigd de brief van 24 december 2001 te hebben ontvangen.

Bij brief van 30 januari 2002 heeft appellant de ontvangst van de brief van 7 januari 2002 bevestigd en - onder mededeling het bezwaarschrift van 24 december 2001 destijds niet te hebben ontvangen - bij gedaagde ge´nformeerd naar de reden van de te late indiening van het bezwaar.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar wegens overschrijding van de in artikel 75a van de Ziektewet gestelde termijn van twee weken niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd onder overweging dat appellant in de brief van 18 januari 2002 de ontvangst van de brief van gedaagde van 24 december 2001 heeft bevestigd, zodat voldoende aannemelijk is dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft bij beroepschrift onder meer het navolgende aangevoerd:

"Bij ondergetekende is het - niet aangetekend verzonden - bezwaarschrift van 24 december 2001 eerst ontvangen als bijlage bij het schrijven van 7 januari 2002.
Allereerst is bij schrijven van 18 januari 2002 door ondergetekende de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Vervolgens is geconstateerd dat het bezwaarschrift van 24 december 2001 niet tijdig was ontvangen en is aan mevrouw [gedaagde] bij schrijven van 30 januari 2002 verzocht aan te geven waarom het bezwaarschrift niet eerder ingediend is.

Het bezwaarschrift van 24 december 2001 is niet anders dan als bijlage bij het schrijven van 7 januari 2002 op 10 januari 2002 ontvangen. Opgemerkt moet worden dat er ook geen ontvangstbevestiging vˇˇr 10 januari 2002 is verzonden."

De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de gang van zaken, zoals deze door appellant is beschreven. Voormelde brief van 18 januari 2002 is geschreven naar aanleiding van de brief van gedaagde van 7 januari 2002 en diende ter bevestiging van de ontvangst van de daarbij meegezonden kopie van de brief van 24 december 2001. Nu appellant ontkent de brief van 24 december 2001 eerder dan 10 januari 2002 te hebben ontvangen, en deze brief destijds niet aangetekend is verzonden rust het risico van een en ander bij gedaagde.

De Raad stelt dan ook vast dat het bezwaar wegens overschrijding van de termijn terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd.

De Raad acht geen grond aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x