Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AV7833
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De arbeidsongeschiktheid kon niet meer als een gevolg van de zwangerschap of de bevalling worden beschouwd. Weigering van het ziekengeld.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/964 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 12 maart 2003 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank ís-Gravenhage heeft bij uitspraak van 8 januari 2004 (AWB 03/1342 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij Das Rechtsbijstand te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft de Raad nog een verklaring van de huisarts van appellante toegezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van van de Raad van 15 februari 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante, laatstelijk werkzaam als tandartsassistente, heeft zich op 8 oktober 2001 ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten als gevolg van haar zwangerschap. Op 19 november 2001 heeft de bevalling plaats gevonden. Appellante achtte zich aansluitend aan de bevallingsuitkering als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet nog steeds arbeidsongeschikt wegens bekkeninstabiliteit en klachten van depressiviteit.

Op 27 maart 2002 is appellante gezien door een verzekeringsarts, die de rugklachten van appellante in de loop van de zwangerschap en na de bevalling toegenomen achtte en haar nog arbeidsongeschikt vond ten gevolge van de zwangerschap of bevalling.
Op 22 juli 2002 heeft, mede met het oog op de beoordeling van de belastbaarheid van appellant in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), een heronderzoek plaats gevonden, waarbij de betrokken verzekeringsarts onder meer vaststelde dat de bewegelijkheid van de heup en rug moeizaam verliep en dat appellante subjectief last had van het linkerbovenbeen. Verder werd vooral een toename van de psychische klachten geconstateerd.
De verzekeringsarts concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet meer als een gevolg van de zwangerschap of de bevalling kon worden beschouwd.

Bij besluit van 24 juli 2002 is aan appellante dienovereenkomstig meegedeeld dat zij gelet op artikel 29a van de Ziektewet met ingang van 22 juli 2002 geen recht meer had op ziekengeld.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 10 februari 2003 vastgesteld, dat de rugklachten van appellante op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts al waren afgenomen. Verder heeft hij onder meer na kennisneming van informatie van psychomedisch centrum Parnassia vastgesteld dat de depressieve klachten en angstklachten van appellante niet in oorzakelijk verband staan met de zwangerschap en de bevalling.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.
Naar aanleiding van het beroepschrift merkt de Raad nog op dat de betrokken verzekeringsartsen nadrukkelijk aandacht hebben besteed aan de rugklachten van appellante. Reeds in het rapport van 22 juli 2002 van de primaire verzekeringsarts wordt melding gemaakt van de bekkenklachten van appellante. De in hoger beroep ingebrachte verklaring van de huisarts van appellante bevat dan ook geen gegevens die een ander licht op de zaak werpen.

Ook aan de psychische klachten is door de betrokken verzekeringsartsen, mede aan de hand van de beschikbare informatie van Parnassia, uitvoerig aandacht besteed.

De Raad is dan ook van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x