Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AV7834
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de ZW-uitkering over de periode in geding terecht met 5% gekort en heeft de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling uitgesproken?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/981 ZW en 05/5753 ZW




U I T S P R A A K




In de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft L.J. Lindeman, wonende te Eindhoven, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen gegeven uitspraken, reg.nr. AWB 02/2348 ZW, van 6 januari 2004 (uitspraak I) en reg. nr. AWB 04/814, van 7 september 2004 (uitspraak II), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in geding 04/981 ZW een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn in beide gedingen (desgevraagd) nadere stukken ingebracht.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door Lindeman, voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. van Tijn, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


04/981 ZW

Bij brief van 27 februari 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit, waarbij appellants uitkering ingevolgde de Ziektewet (ZW) over de periode 24 januari 2002 tot en met 29 januari 2002 met 5% wordt gekort, onder overweging dat appellant zich 4 dagen te laat bij gedaagde heeft ziek gemeld.

Bij besluit van 25 juli 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht appellants ZW uitkering over de periode 24 januari 2002 tot en met 29 januari 2002 met 5% heeft gekort.

De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daarbij het navolgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid):

“Eiser is vrijwillig verzekerd ingevolge de ZW. Op verweerders brief van 12 december 2001 betreffende de invordering van de premiebetaling vrijwillige verzekering geeft eiser geschreven zich met ingang van 22 januari 2002 ziek te melden. Volgens het ontvangststempel is deze schriftelijke melding op 29 januari 2002 door de verweerder ontvangen.

Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de ZW is de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld in het geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid te melden aan zijn werkgever, of indien de verzekerde geen werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 van deze wet, aan het UWV.

Bij brief van 13 februari 2002 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld de geconstateerde overtreding toe te lichten. Namens eiser is een toelichting verstrekt met de brief van 20 februari 2002. In deze brief heeft eiser onder andere aangegeven de ziekmelding op 22 januari 2002 in verweerders postbus te hebben gedeponeerd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet eiser aantonen dat hij zich tijdig heeft ziek gemeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan kunnen tonen dat hij zich tijdig, uiterlijk 2 dagen na 22 januari 2002, ziek heeft gemeld. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat namens hem de schriftelijke ziekmelding op 22 januari 2002 bij verweerder is bezorgd. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig de ziekmelding telefonisch heeft gedaan. Dat eiser geen bewijs van tijdige ziekmelding heeft kunnen leveren, dient voor risico van eiser te blijven. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat eiser zich eerst op 29 januari 2003 (lees: 2002) ziek heeft gemeld.

Ingevolge artikel 45, eerste lid aanhef en onder d, van de ZW weigert het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde het voorschrift, gegeven in artikel 38a, eerste lid, niet opgevolgd heeft.

Ingevolge artikel 45, tweede lid, van de ZW wordt een maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het zesde lid van artikel 45 van de ZW stelt het UWV nadere regels met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Bedoelde nadere regels zijn opgenomen in het Maatregelbesluit Tica van 6 juni 1996, laatstelijk gewijzigd bij Besluit Lisv van 8 november 2001, Stcrt. 2001, 227.

Uit Bijlage A van het Maatregelenbesluit volgt dat het niet nakomen van de verplichting zoals opgenomen in artikel 38a, eerste lid, van de ZW een verplichting van de eerste categorie betreft.

Ingevolge artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, van het maatregelen besluit bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting opgenomen in de eerste categorie van de ZW, tenzij wordt volstaan met een waarschuwing, 5% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 7 kalenderdagen wordt overschreden.

Nu eisers ziekmelding eerst op 29 januari 2002 is ontvangen heeft verweerder op grond van vorenstaande bepalingen terecht tijdelijk gedeeltelijk ziekengeld geweigerd met 5% over de periode van 24 januari 2002 tot en met 29 januari 2002. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding hadden moeten zijn af te zien van het opleggen van een maatregel.”

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen namens appellant in hoger beroep en ter zitting is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het weergegeven oordeel van de rechtbank.
De Raad constateert daarbij dat de gemachtigde van appellant zijn stelling, noch in beroep noch in hoger beroep, heeft onderbouwd met een bewijsstuk waaruit blijkt dat appellant zich tijdig bij gedaagde heeft ziek gemeld.

Derhalve komt aangevallen uitspraak I voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



05/5753 ZW

Gedaagde is bij bestreden besluit van 13 februari 2004 volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 november 2003. De rechtbank heeft geoordeeld dat er in zoverre geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het beroep en het beroep van appellant om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen het feit dat de rechtbank geen termen aanwezig heeft geacht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand. Indien het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan de bezwaren van appellant en appellant geen procesbelang meer heeft bij de vaststelling van de (on)rechtmatigheid van het besluit, behoort het bestuursorgaan in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij is de vraag aan de orde of de door de gemachtigde Lindeman aan appellant verleende rechtsbijstand dient te worden aangemerkt als “beroepsmatig verleende rechtsbijstand” als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De Raad overweegt daartoe dat de gemachtigde van appellant (desgevraagd) bij schrijven van 30 januari 2006, door het overleggen van een polisblad, heeft aangetoond dat hij eigenaar/exploitant is van een administratiekantoor en in die hoedanigheid rechtsbijstand verleent voor juridische en gerechtelijke aangelegenheden. Gelet hierop acht de Raad de kosten van rechtsbijstand van appellant, waar het hier gaat om door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor toewijzing vatbaar.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voorzover deze betrekking heeft op de proceskosten, voor vernietiging in aanmerking komt.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet te doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Gedaagde dient alsnog te worden veroordeeld in de kosten van de aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand, en wel tot een bedrag groot € 644,--. De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellant in hoger beroep gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand ad € 644,--.

Beslist wordt als volgt.




III BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak I.
Vernietigt de aangevallen uitspraak II voorzover aangevallen.
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant van in totaal € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht van totaal € 139,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x