Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AV7845
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1634 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 3 juni 2003 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 10 februari 2004 ( AWB 03/2692 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 15 februari 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is op 6 april 1999 wegens klachten in verband met allergie, ongeschikt geworden voor zijn arbeid in de tomatenteelt. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken, welke op 3 april 2000 was verstreken, is aan appellant geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toegekend. Appellant werd destijds nog geschikt geacht voor functies waarmee hij en zodanig inkomen kon verdienen dat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO.

Appellant heeft zich laatstelijk op 4 februari 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens dezelfde klachten ziek gemeld. Hij is in dit verband verschillende keren op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die enkele van de in het verleden geselecteerde functies wegens de concentratie van stof niet geschikt achtte, maar een drietal functies nog wel passend vond. Appellant werd vervolgens met ingang van 21 maart 2003 niet langer arbeidsongeschikt geacht.

Bij besluit van 21 maart 2003 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van deze datum geen ziekengeld meer toegekend.

In bezwaar is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, die in navolging van de primaire verzekeringsarts concludeerde dat voldoende functies overbleven, waarbij de blootstelling aan stof zonder meer acceptabel was.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.
De Raad heeft nog het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde - voor zover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.
Het vorenstaande betekent dat ter zake van het ziektegeval van 4 februari 2003 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant in het kader van de WAO in april 2000 als passend konden worden aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

Zoals uit de gedingstukken blijkt hebben de betrokken verzekeringsartsen een aantal van de oorspronkelijk geselecteerde functies wegens de verhoogde concentraties van stof voor appellant ongeschikt geacht. In de nog resterende functies is slechts sprake van een geringe concentratie van stof. De Raad ziet geen reden om te twijfelen een de conclusie van de verzekeringsartsen, dat appellant ten tijde in geding voor die functies niet ongeschikt was.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspaak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x