Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AW9177
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ziekmelding vanuit het buitenland. Weigering van het ziekengeld. Terugvordering.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1258 ZW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2004, 03/1153 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. G.E.M. Later, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Later. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is laatstelijk tot 4 februari 2002 werkzaam geweest als inpakster, waarna het Uwv haar aansluitend tot 4 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft toegekend. Tijdens haar vakantie in Turkije heeft zij zich op 30 juli 2002 ziek gemeld met psychische klachten. Appellante is op 30 augustus 2002 teruggekeerd in Nederland, waarna zij op 25 september 2002 is onderzocht door een verzekeringsarts, die haar op en na 21 augustus 2002 niet meer ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid achtte. De verzekeringsarts is tot deze conclusie gekomen op basis van een verklaring van een Turkse psychiater en na informatie te hebben ingewonnen bij de huisarts van appellante.

Het Uwv heeft bij besluit van 30 oktober 2002 geweigerd op en na 21 augustus 2002 ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken en bij besluit van 20 november 2002 het onverschuldigd betaalde ziekengeld over de periode van 22 augustus 2002 tot en met 22 september 2002 ad € 942,04 teruggevorderd. De bezwaren tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 28 februari 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de rechtbank een beoordeling van (het handhaven van) het besluit tot terugvordering achterwege laat, omdat appellante daartegen niets heeft aangevoerd.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij in Turkije ziek is geworden, dat zij zich daar onder behandeling van een psychiater heeft gesteld en dat zij sedertdien nog steeds niet beter is. Na terugkomst in Nederland heeft zij zich tot haar huisarts gewend zodra haar door de Turkse psychiater voorgeschreven medicijnen op waren. Appellante meent dat er aanleiding is voor de Raad om een deskundige in te schakelen omdat er discrepantie bestaat tussen de visie van de behandelend arts en de visie van de verzekeringsarts.

De Raad overweegt als volgt.

Appellante heeft zich vanuit Turkije ziek gemeld. Ondanks het ontbreken van officiële rapporten afkomstig van het Turkse controleorgaan, Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK), heeft het Uwv een periode van 20 dagen arbeidsongeschiktheid aangenomen op basis van een rapport van de behandelend psychiater Süleyman. In dit rapport van 31 juli 2002 heeft Süleyman aangegeven dat appellante op 30 juli 2002 is opgenomen in het ziekenhuis vanwege een depressie, dat zij op 31 juli 2002 is ontslagen, dat zij medicijnen voorgeschreven heeft gekregen en dat aan appellante 20 dagen bedrust is voorgeschreven. Blijkens het afschrift van de medische kaart heeft de verzekeringsarts appellante op 25 september 2002 op zijn spreekuur gezien. Op die medische kaart heeft de verzekeringsarts aangegeven dat appellante al sinds 1997 psychische klachten heeft waarmee ze sinds 2000 steeds gewoon heeft gewerkt. De verzekeringsarts was bereid toch 20 dagen ongeschiktheid te accepteren. Zorgvuldigheidshalve heeft de verzekeringsarts in overleg met appellante de huisarts om informatie gevraagd. Uit de op 2 oktober 2002 door de huisarts gegeven informatie blijkt dat appellante op 26 september 2002 op het spreekuur van de huisarts is geweest, dat zij klaagde over somberheid, lusteloosheid, gebrek aan energie, prikkelbaarheid, slecht slapen en ’s morgens niet willen opstaan. De huisarts gaf verder aan dat appellante tijdens haar vakantie in Turkije volledig van de kaart is geweest en dat zij van haar Turkse arts seroxat voorgeschreven heeft gekregen. De huisarts zag bij onderzoek een gespannen vrouw die argwanend overkomt, maar verder geen duidelijke afwijkingen in de gemoedstoestand. Hij concludeerde vervolgens dat er nog steeds sprake is van een depressie, gaf het advies de seroxat te hervatten, structuur aan te brengen in de dag en met maatschappelijk werk te gaan praten. Deze informatie heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven zijn eerdere beslissing te herzien.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire medisch oordeel en daarbij overwogen dat appellante geen gegevens heeft aangedragen waaruit zou blijken dat zij na de geaccepteerde periode van arbeidsongeschiktheid medisch gezien niet in staat zou zijn geweest om het werk te verrichten.

De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit en overwogen dat de door appellante overgelegde brief van de huisarts van 16 oktober 2002 geen andere informatie bevat dan door de huisarts in zijn brief van 2 oktober 2002 reeds is meegedeeld.

De door appellante in hoger beroep ingebrachte stukken hebben de Raad evenmin aanleiding gegeven voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Deze stukken hebben betrekking op de medische situatie van appellante na de datum in geding en kunnen reeds om die reden niet dat gewicht hebben dat de gemachtigde van appellante daaraan toegekend wenst te zien.
Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellante ter zitting heeft meegedeeld dat zij de terugvordering slechts bestrijdt als besluit annex aan het besluit tot weigering van ziekengeld. Nu het bestreden besluit voorzover dat ziet op de weigering van ziekengeld op goede gronden door de rechtbank in stand is gelaten, behoeft het bestreden besluit voorzover dat ziet op de terugvordering geen bespreking meer.

Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W.P. van der Hoeven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x