Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AX3256
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de ZW-uitkering. Terugvordering. Er is geen mededeling gedaan van de werkzaamheden en verdiensten.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3204 ZW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 mei 2004, 02/799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 10 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: “Verweerder heeft aan eiser ingaande 3 mei 1999 een uitkering ingevolge de ZW toegekend.

Uit onderzoek van de opsporingsdienst Regio Oost van Gak Nederland B.V. is gebleken dat eiser in de periode van 12 oktober 1998 tot en met 23 mei 1999 gedurende 86 dagen werkzaamheden heeft verricht voor werkgever [naam werkgever], zonder daarvan melding te maken. Deze feiten ontleent de rechtbank aan haar uitspraak van 7 november 2001 (AWB 00/928 WW).

Bij besluit van 25 januari 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat aan hem over de periode van 3 mei 1999 tot 22 mei 1999 onverschuldigd uitkering ingevolge de ZW is betaald en dat het onverschuldigd betaalde bedrag ad ƒ1915,95 wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 8 juni 2000 heeft verweerder eisers bezwaren tegen, onder meer, dat besluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2001 heeft de rechtbank het besluit van 8 juni 2000 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering ingevolge de ZW vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de bezwaren gericht tegen het besluit van 25 januari 2000.

Bij besluit van 22 januari 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het besluit van 25 januari 2000 niet wordt gehandhaafd.

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de ZW-uitkering die eiser ontving over de perioden 3 mei 1999 tot en met 7 mei 1999 en van 19 mei 1999 tot en met 21 mei 1999 ten onrechte is ontvangen en dat hij heeft nagelaten verdiensten uit arbeid mede te delen. Het onverschuldigde bedrag ad € 464,40 wordt van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over de perioden van 3 mei 1999 tot en met 7 mei 1999 en van 7 mei 1999 tot en met 21 mei 1999 een te hoog bedrag aan ziekengeld ontving omdat hij werkzaamheden heeft verricht waarvan hij geen mededeling heeft gedaan aan verweerder.

Bij schrijven van 13 februari 2002 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 januari 2002.

Eiser en zijn gemachtigde zijn op 2 april 2002 in verband met het bezwaar gehoord.

Bij schrijven van 23 april 2002 heeft verweerder besloten de terugvorderingsbeslissing van 29 januari 2002 niet te handhaven nu aan dat besluit geen juiste bodembeslissing ten grondslag ligt. Verweerder heeft in dit besluit medegedeeld dat er een nieuwe bodembeslissing moet worden opgemaakt met een daarop gebaseerde terugvorderingsbeslissing.

Bij een tweede schrijven van 23 april 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij gedurende de periode 3 mei 1999 tot en met 7 mei 1999 en van 19 mei 1999 tot en met 21 mei 1999 werkzaamheden heeft verricht zonder verweerder daaromtrent in te lichten. Op grond van artikel 30/31 van de ZW is het ziekengeld over genoemde perioden onverschuldigd betaald. Het bedrag ad € 464,08 dat onverschuldigd is betaald wordt van eiser teruggevorderd.

Bij een derde schrijven van 23 april 2002 heeft verweerder eiser nogmaals medegedeeld dat het bedrag ad € 464,08 wordt teruggevorderd.

Bij het thans bestreden besluit van 7 mei 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het bezwaarschrift van 13 februari 2002 en hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting wordt geacht te zijn gericht tegen “de thans genomen terugvorderingsbeslissing”. Verweerder heeft vervolgens het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.”

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 7 mei 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen.

“De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers ZW- uitkering heeft herzien over de periode 3 mei 1999 tot en met 7 mei 1999 en van 19 mei 1999 tot en met 21 mei 1999. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser in die twee perioden inkomsten heeft ontvangen in verband met werkzaamheden en daarvan aan verweerder geen mededeling heeft gedaan.

De rechtbank constateert dat namens eiser niet wordt bestreden dat hij in de betreffende perioden inkomsten uit arbeid heeft genoten en daarvan geen mededeling heeft gedaan aan verweerder. Derhalve kan niet gezegd kan worden dat verweerder ten onrechte eisers Zw-uitkering in die perioden heeft herzien. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder bij die herziening is uitgegaan van een onjuist aantal gewerkte uren merkt de rechtbank, verwijzend naar haar uitspraak van 7 november 2001, op, dat verweerder zich heeft gebaseerd op de urenlijst welke is samengesteld op grond van de manurenregistratie van werkgever [werkgever]. Uit die registratie blijkt dat (volgens de opgave van de werkgever) eiser in de periode van 26 oktober 1998 tot en met 21 mei 1999 gedurende 86 dagen 678,5 uur heeft gewerkt. Namens eiser zijn geen concrete en verifieerbare gegevens geproduceerd waaruit zou blijken dat hij minder uren gewerkt zou hebben.

Ten aanzien van de terugvordering van de ZW-uitkering merkt de rechtbank op dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de ZW, is gehouden terug te vorderen hetgeen onverschuldigd aan eiser is betaald. In de gedingstukken ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor eisers stelling dat verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat de grondslag voor de terugvordering zou zijn komen te vervallen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden het bedrag ad € 464,08 heeft teruggevorderd.”

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij minder uren heeft gewerkt dan zijn werkgever [werkgever] heeft opgegeven.

De Raad overweegt als volgt.

Het onder de feiten genoemde onderzoek van de opsporingsdienst Regio Oost van Gak Nederland B.V. heeft tevens geleid tot een procedure tussen appellant en het Uwv over het opnieuw vaststellen van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 26 oktober 1998 tot en met 2 mei 1999 en een daaruit gevolgde terugvordering. Deze procedure is geëindigd door een uitspraak van de Raad van 29 september 2004 (LJN AR2976). Aan die uitspraak, waarin het Uwv is aangeduid als gedaagde, ontleent de Raad de volgende overwegingen.

“6.2. Appellant heeft erkend dat hij werkzaamheden heeft verricht voor [werkgever] en dat hij van die werkzaamheden geen mededeling heeft gedaan aan gedaagde. Voorts heeft appellant te kennen gegeven geen administratie te hebben gehouden van de door hem gewerkte dagen en uren. In deze situatie is het aan gedaagde om, met inachtneming van de vereisten van een zorgvuldige besluitvorming, de omvang van appellants werkzaamheden vast te stellen. Als dat schattenderwijs zou dienen te geschieden omdat de omvang van die werkzaamheden niet aan de hand van eenduidige en overtuigende gegevens is vast te stellen, komt het risico daarvan voor rekening van appellant, die immers heeft nagelaten de juiste gegevens gedurende de desbetreffende perioden aan gedaagde door te geven. Het ontbreken van gegevens, zoals salarisspecificaties, komt, nu appellant met die gang van zaken heeft ingestemd, ook voor zijn rekening.

6.3. Gedaagde heeft de omvang van appellants werkzaamheden vastgesteld aan de hand van de gegevens die in het kader van het opsporingsonderzoek zijn verkregen van [werkgever] en van inleners en/of onderaannemers. Op basis van die gegevens is vastgesteld op welke dagen appellant heeft gewerkt en is aangenomen dat appellant op die dagen acht uren heeft gewerkt. De Raad acht de op deze gegevens gebaseerde besluiten genoegzaam zorgvuldig voorbereid en is met gedaagde van oordeel dat die gegevens een genoegzaam deugdelijke onderbouwing bieden van de door gedaagde aangenomen omvang van appellants werkzaamheden. De vereisten van een zorgvuldige besluitvorming gaan niet zo ver dat gedaagde zou zijn gehouden om, waar appellant de juistheid van deze gegevens betwist, verdergaand onderzoek te verrichten. Van zodanige gehoudenheid zou wellicht sprake kunnen zijn in het geval appellant met behulp van voldoende draagkrachtige gegevens aannemelijk had gemaakt dat de gegevens waarvan gedaagde is uitgegaan niet met de werkelijkheid overeenstemmen, maar dat heeft appellant niet gedaan. Appellant heeft immers niet meer gedaan dan de juistheid van de gegevens te betwisten met verwijzing naar verklaringen die door andere personen zouden kunnen worden afgelegd. Waar het appellant is die de juistheid van de aan het standpunt van gedaagde ten grondslag gelegde gegevens betwist, rust op hem de last om die stelling te bewijzen, dan wel aannemelijk te maken. Tot in hoger beroep heeft appellant nagelaten zijn stellingen met enige nadere gegevens te onderbouwen.”

De Raad stelt vast dat ook in de onderhavige zaak appellant heeft nagelaten zijn stellingen met enige nadere gegevens te onderbouwen. De Raad is daarom van oordeel dat de rechtbank op goede gronden het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x