Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AX7706
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ziekengeld. Herhaalde aanvraag. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6238 ZW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2003, 03/485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge voornoemd en een tolk. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.

Bij besluiten van 8 april 1994 en 7 juli 1994 heeft het Uwv geweigerd aan appellant vanaf 7 januari 1994 respectievelijk over de periode van 7 september 1992 tot 15 januari 1993 ziekengeld toe te kennen.

Het door appellant tegen beide voormelde besluiten ingestelde beroep is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 21 november 1994 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 23 oktober 1996 bevestigd.

Bij brief van 18 oktober 2000 heeft appellants gemachtigde zich tot het Uwv gewend met het verzoek om terug te komen van de besluiten van 8 april 1994 en 7 juli 1994.

Bij besluit van 25 juli 2001 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen.
Dit besluit berust op een advies van verzekeringsarts R.L.P. Broeders, inhoudende - kort samengevat - dat in de aangeleverde gegevens op geen enkele manier een relatie wordt gelegd met de periodes, die destijds in de beroepszaak zijn bestreden en dat de ingediende rapportage van het Instituut Psychosofia gaat over het actuele beeld.

Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verkaard.
Dit besluit berust op twee rapporten van bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma, die - kort samengevat - concludeerde dat de overgelegde gegevens hetzij overeenkomen met al eerder bekende feiten hetzij dat die gegevens geen betrekking hebben op de data in geding.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft het volgende overwogen.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat bij de door de gemachtigde van appellante aangevoerde gegevens geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x