Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AX8402
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening ZW-uitkering. Ingangsdatum. Hoogte van het vastgestelde dagloon.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1829 ZW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 24 maart 2004 heeft appellant onder gegrondverklaring van de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 7 april 2003, waarbij het dagloon van de aan gedaagde toegekende uitkering krachtens de Ziektewet opnieuw is berekend en per 9 oktober 2001 is vastgesteld op € 57,12, dit dagloon per die datum vastgesteld op € 84,82.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 15 februari 2005, registratienummer 04/945, het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van gedaagde met inachtneming van deze uitspraak, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gelast het door gedaagde betaalde griffierecht te vergoeden.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 25 april 2005 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde is een verweerschrift, gedateerd 11 mei 2005, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 januari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg.




II. MOTIVERING


Ingaande 9 oktober 2001 is aan gedaagde een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toegekend, welke uitkering op 16 mei 2002 voor het eerst tot uitbetaling is gekomen. Naderhand is appellant gebleken dat het dagloon waarnaar deze uitkering werd berekend, naar een te hoog bedrag was vastgesteld. Bij besluit van 7 april 2003 heeft hij het dagloon vastgesteld op € 57,12. Bij zijn hiervoor vermelde besluit van 24 maart 2004 heeft appellant het dagloon nader vastgesteld op € 84,82 per 9 oktober 2001.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellant ten onrechte de uitkering van gedaagde heeft herzien per 9 oktober 2001. Daartoe is bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres, het volgende overwogen:
"In artikel 30a, eerste lid, van de ZW is bepaald dat, onverminderd hetgeen elders in die wet is bepaald terzake van herziening of intrekking van een besluit, het UWV een dergelijk besluit herziet of intrekt:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
Nadere regels zijn gesteld in het Besluit van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 7 augustus 2003, Stcrt. 2003, 154 (hierna: de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen).
In de bijlage van de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen, is bepaald dat, indien het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt, in beginsel de beslissing wordt herzien of ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt.
2.4. Ter zitting hebben eiseres en haar gemachtigde gesteld dat het beroep zich niet richt tegen de gewijzigde vaststelling van het ZW-dagloon van eiseres per 9 oktober 2001 op € 84,82. De vaststelling van het dagloon ligt derhalve thans niet ter beoordeling aan de rechtbank voor.
Thans ligt alleen nog de vraag voor of verweerder terecht heeft besloten de ZW-uitkering van eiseres met terugwerkende kracht te herzien per 9 oktober 2001. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank constateert dat verweerder aan eiseres een uitkering krachtens de ZW heeft toegekend met ingang van 9 oktober 2001. Verweerder heeft toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 52c van de ZW door de toekenningsbeslissing op dat moment niet schriftelijk aan eiseres bekend te maken. Eiseres is derhalve toen niet medegedeeld op welk bedrag haar ZW-dagloon was vastgesteld. Het kon eiseres op 9 oktober 2001 dan ook niet redelijkerwijs duidelijk zijn dat het dagloon te hoog was vastgesteld. Gelet op het hierboven beschreven beleid van verweerder, kon verweerder de uitkering eerst herzien vanaf het moment dat het eiseres wel redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat het dagloon te hoog was vastgesteld. De grief van eiseres dat haar dagloon ten onrechte met terugwerkende kracht is herzien per 9 oktober 2001, omdat het haar op dat moment niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat haar dagloon onjuist was vastgesteld, treft derhalve doel.
Ter zitting heeft eiseres onweersproken gesteld dat zij de eerste betalingen van het ziekengeld op 16 mei 2002 ontving. Op die datum ontving zij drie verschillende grote bedragen op haar rekening. Eiseres heeft verklaard dat zij de gestorte bedragen niet kon plaatsen en aan de hoge kant vond. Daarom heeft zij telefonisch contact opgenomen met verweerder. Tijdens dit telefoongesprek zou van verweerders zijde gesteld zijn dat het dagloon juist was berekend, hetgeen achteraf onjuist bleek te zijn. Uit het feit dat eiseres op 16 mei 2002 zelf contact heeft opgenomen met verweerder, blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat het haar op dát moment in ieder geval redelijkerwijs duidelijk was dat het dagloon onjuist zou kunnen zijn."

Appellant kan zich hiermede niet verenigen. In zijn aanvullend beroepschrift heeft hij het volgende betoogd:
"Zoals de rechtbank in haar uitspraak onder 2.3 terecht heeft overwogen kan een beslissing om een uitkering met terugwerkende kracht ten nadele te herzien naar onze mening slechts genomen worden wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden als opgenomen in de bijlage van de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen. In het bijzonder gaat het hier om de regel dat een beslissing in beginsel met terugwerkende kracht wordt herzien of ingetrokken tot het moment waarop het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt. Wat dit toetsingskader betreft - het gaat hier om een regeling waarop de artikelen 4:81 tot en met 4:84 Awb van toepassing zijn - verschillen wij dus niet van opvatting met de rechtbank.
De rechtbank is naar onze opvatting evenwel niet binnen dit toetsingskader gebleven. Immers, de rechtbank heeft - zo blijkt uit rechtsoverweging 2.4 - niet getoetst of het eiseres redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, maar getoetst of het haar redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat het dagloon te hoog was vastgesteld. Was de rechtbank binnen het toetsingskader van de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen gebleven, dan had naar onze mening de rechtbank tot geen ander oordeel kunnen en mogen komen dan dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat haar tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Sterker nog, in de laatste alinea van rechtsoverweging 2.4 bevestigt de rechtbank dat.
Waar het gaat om de beoordeling of het eiseres redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt, brengen wij u onder uw aandacht dat niet ter discussie staat dat belanghebbende op 16 mei 2002 voor de eerste keer ziekengeld op haar giro/bankrekening kreeg bijgeschreven in een 3-tal grote bedragen. Hieruit kon eiseres naar ons oordeel niet anders opmaken dan dat het hier ging om ziekengeld met terugwerkende kracht tot 9 oktober 2001. Dat zij zich hiervan bewust was, blijkt naar onze mening genoegzaam uit de stukken.
Dat ziekengeld betrof de periode van 9 oktober 2001 tot 6 mei 2002 en bedroeg in totaal bruto € 4272,84 + € 2300,76 + € 9831,83 = € 16405,43 en netto € 2861,82 + € 1575,00 + € 6721,28 = € 11158,10. Deze periode omvat 149 uitkeringsdagen en dit betekent dus een gemiddelde van € 110,10 bruto en € 74,89 netto per dag = € 1497,80 netto per 4 weken. U kunt dit zien in de hierbij gevoegde betalingsoverzichten van 1 april 2003 die wij abusievelijk niet eerder in de beroepsprocedure aan de rechtbank hebben overgelegd.
Uit de salarisspecificaties van eiseres (stukken nr. 21.2 tot en met 21.4 en 20.7 tot en met 20.9) blijkt dat zij in de referteperiode nimmer meer heeft verdiend dan fl. 2191,69 = € 994,55 netto per 4 weken. De vraag of het eiseres redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat haar tot een te hoog bedrag ziekengeld werd uitgekeerd, is niet moeilijk te beantwoorden. Nu aan ziekengeld een nettobedrag werd uitgekeerd dat 150 % was van het loon dat verdiend werd, is op die vraag slechts 1 antwoord mogelijk: ja. En de simpele constatering dat eiseres kort na de bijschrijving van het ziekengeld op haar giro/bankrekening tot een totaalbedrag van € 11158,10 zelf contact met de betreffende afdeling heeft gezocht om te vertellen dat zij het ontvangen bedrag wel wat aan de hoge kant vond, bevestigt dit.
Vanaf dat moment moest eiseres hebben geweten dat er door ons fouten zijn gemaakt. Om welke fouten het dan ging kon eiseres weliswaar niet weten, maar zij moest er, ongeacht om welke fout het ook ging, rekening mee houden dat wij op enig moment zouden constateren dat bij de vaststelling van de hoogte van het toegekende ziekengeld een fout is gemaakt, en dat die fout door ons hersteld zou worden. Dat zij van de medewerker(s) van de betreffende afdeling te horen kreeg dat het met het uitgekeerde ziekengeld wel goed zat, doet daaraan niet af. Immers, eenieder die een uitkering ter hoogte van 150 % van het gewone loon ontvangt, mag een dergelijk antwoord niet als juist aanvaarden. En voor eiseres geldt dat in het bijzonder, omdat haar na de eerste betaling van 16 mei 2002 vanaf 21 mei 2002 tot het einde van de maximale termijn van 52 weken wekelijks een bedrag van € 377,60 netto per week (= € 1510,40 per 4 weken) werd uitgekeerd.
Op grond van het voorgaande menen wij dat de rechtbank niet tot het oordeel heeft kunnen en mogen komen dat de herziening van het dagloon niet met ingang van 9 oktober 2001, maar eerst vanaf een datum gelegen op of na 16 mei 2002 mag plaatsvinden, en dat het beroep van eiseres door de rechtbank ongegrond verklaard had moeten worden."

In aanmerking nemende dat de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen niet in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, waaronder artikel 30a van de ZW, het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel - de Raad wijst hierbij op zijn uitspraak van 21 maart 2001, RSV 2001/174 (LJN AB1440) -, verenigt de Raad zich met dit betoog. Op 16 mei 2001 had het gedaagde redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat haar uitkering vanaf 9 oktober 2001 naar een te hoog bedrag was vastgesteld. Dat hieraan een onjuiste vaststelling van het dagloon ten grondslag heeft gelegen, is te dezen niet beslissend. Dit betekent dat een herziening per 9 oktober 2001 in overeenstemming is met voormelde regeling. De omstandigheid dat gedaagde telefonisch te horen heeft gekregen dat haar uitkering juist was berekend, maakt dit niet anders. Gedaagde had moeten begrijpen dat de medewerkers van appellant van onjuiste gegevens uitgingen. Ook op dit punt verwijst de Raad naar zijn evengenoemde uitspraak van 21 maart 2001.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x