Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW
x
LJN:
x
AX8725
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ziekengeld omdat betrokkene tijdens ziekte recht heeft op loondoorbetaling door de werkgever.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/343 ZW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 11 december 2003, 02/2677 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 31 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft I.M.H. Merks-Metz, werkzaam bij Merks Advies in Sociale Verzekering, als gemachtigde een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma. Betrokkene is - met kennisgeving - niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 14 maart 2002 heeft appellant geweigerd aan betrokkene ziekengeld te verstrekken met ingang van 14 februari 2002, omdat betrokkene met ingang van die datum niet arbeidsongeschikt wordt geacht tengevolge van haar zwangerschap of bevalling, zodat zij tijdens ziekte recht heeft op loondoorbetaling door de werkgever.

Het namens de betrokkene door [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever) ingediende bezwaar heeft appellant bij het aan de betrokkene gerichte besluit van 16 augustus 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens de werkgever heeft de gemachtigde Merks-Metz, voornoemd, tegen het bestreden besluit beroep aangetekend bij de rechtbank.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 14 maart 2002 te herroepen en te bepalen dat betrokkene met ingang van 14 februari 2002 recht heeft op ziekengeld (als bedoeld in artikel 29a, lid 4, van de Ziektewet) ter hoogte van haar dagloon, zulks voorzover de bepalingen van de Ziektewet (ZW) zich daar overigens niet tegen verzetten.

In hoger beroep heeft appellant uiteengezet dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene van 14 februari 2002 geen causaal verband houdt met de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Appellant verwijst in dat verband nog naar het commentaar d.d. 8 januari 2004 van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie.

De Raad heeft zich allereerst een oordeel gevormd over de vraag of de rechtbank de werkgever van betrokkene terecht in het beroep heeft ontvangen en in verband met deze vraag het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Bij uitspraken van 24 september 2002 (JB 2002, 342) heeft de Raad geconcludeerd dat de werkgever ten aanzien van een besluit omtrent aanspraken van een werknemer op ziekengeld, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden beschouwd. In een uitspraak van 1 oktober 2003 (LJN AM3310) heeft de Raad beslist dat deze conclusie niet geldt, indien de uitzondering van het per 1 maart 2003 vervallen artikel 2a van de ZW van toepassing is. Tevens heeft de Raad in laatstgenoemde uitspraak overwogen dat artikel 2a in de ZW is opgenomen, teneinde te voorkomen dat de werkgever als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt ten aanzien van besluiten betreffende de arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De strekking van artikel 2a van de ZW brengt verder naar het oordeel van de Raad met zich mee dat het artikel niet alleen betrekking heeft op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.

Aan het bestreden besluit ligt een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster ten grondslag. Ten tijde in geding was artikel 2a van de ZW nog van toepassing. Uit de stukken van de rechtbank blijkt dat mevrouw Merks-Metz als gemachtigde namens de werkgever beroep heeft aangetekend. Niet is komen vast te staan - door middel van een machtiging - dat de werkgever namens betrokkene beroep heeft aangetekend. De rechtbank heeft het beroep van de werkgever ten onrechte ontvankelijk geacht. Dit oordeel brengt met zich mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat de Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x