Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   ZW / WAO
x
LJN:
x
AX9668
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De herziening van de WAO-uitkering berust op een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek en daarmee op een onvoldoende medische grondslag. Het besluit tot weigering van het ziekengeld is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/6558 ZW en 05/5889 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 november 2003, 2002/1434 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker zinkwit fabricage, is sinds 1986 arbeidsongeschikt wegens rugklachten. In verband hiermee is hem met ingang van 11 juli 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die met ingang van 1 augustus 2000 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Hieraan lag ten grondslag een belastbaarheidspatroon van 21 april 1999 en drie door arbeidsdeskundige A. van Belkom in zijn rapport van 30 oktober 2000 geselecteerde functies. Naast voormelde uitkering ingevolge de WAO ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

Vanuit deze situatie meldde appellant zich op 20 oktober 2001 ziek met toegenomen rugklachten en maagklachten. Op 8 januari 2002 werd hij onderzocht door verzekeringsarts J. Janssen. Deze arts constateerde toegenomen beperkingen als gevolg van een tijdelijke ischialgie sinds 20 oktober 2001 en achtte de Wet Amber van toepassing. Op 29 januari 2002 werd hij onderzocht door verzekeringsarts S. Wijenbergh. Deze arts concludeerde dat sprake is van verminderde mogelijkheden tot functioneren als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak en dat er geen aanleiding is het belastbaarheidspatroon van 21 april 1999 te herzien. In aansluiting hierop heeft arbeidsdeskundige F.H. van der Hijden een zestal functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande vier weken na 20 oktober 2001 vastgesteld op 35 tot 45%.

Bij besluit van 27 maart 2002 is appellant met ingang van 1 april 2002 een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Hierbij is aangegeven dat de belastbaarheid van appellant ten opzichte van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van 21 april 1999 en 30 mei 2000 niet is gewijzigd.

Bij besluit van 28 maart 2002 is de uitkering van appellant ingevolge de WAO met ingang van 17 november 2001 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Naar aanleiding van de bezwaren van appellant tegen deze beide besluiten heeft bezwaarverzekeringsarts J. Jonker in haar rapport van 25 juli 2002 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Dienovereenkomstig zijn de bezwaren van appellant bij het bestreden besluit van 13 augustus 2002 ongegrond verklaard.

In het kader van de beroepsprocedure heeft het Uwv bij brief van 29 april 2003 desgevraagd aangegeven dat appellant in het kader van de ZW-beoordeling geschikt is geacht voor de functies, vermeld in voormeld rapport van arbeidsdeskundige Van Belkom van 30 oktober 2000. Voorts is namens appellant informatie ingebracht van uroloog H.J. Rollema van 18 september 2002. In reactie hierop is door bezwaarverzekeringsarts Jonker in haar rapport van 1 juli 2003 aangegeven dat zij geen aanleiding ziet haar eerdere standpunt te herzien.

De rechtbank heeft bij haar in rubriek I genoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant betoogd dat bezwaarverzekeringsarts Jonker ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat appellant reeds op 19 maart 2002 uroloog Rollema heeft geconsulteerd voor klachten van de prostaat en een liesbreuk. Voorts is namens appellant betoogd dat hij vanwege zijn rug- en urologische klachten op 1 april 2002 arbeidsongeschikt was in het kader van de ZW en dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, zodat hij vanwege zijn rugklachten in elk geval op 17 november 2001 arbeidsongeschikt was in het kader van de WAO.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief (met bijlagen) van 6 oktober 2005 zijn standpunt nader toegelicht. Hierbij is verwezen naar een rapport van bezwaarverzekeringsarts Jonker van 5 oktober 2005, waarin deze haar standpunt en dat van verzekeringsarts Wijenbergh nader heeft toegelicht.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit betreft enerzijds een herziening van de uitkering van appellant ingevolge de WAO en anderzijds een weigering om aan appellant een (verdere) uitkering ingevolge de ZW toe te kennen.



Herziening uitkering ingevolge de WAO (zaak 05/5889 WAO)

De Raad heeft vastgesteld dat, blijkens voormelde rapporten van (bezwaar)verzekeringsartsen Wijenbergh en Jonker van respectievelijk 29 januari 2002 en 25 juli 2002, het medisch oordeel dat ten grondslag ligt aan de onderhavige herziening, berust op het door verzekeringsarts Wijenbergh op 29 januari 2002 verrichte medisch onderzoek. Hierbij is door deze arts geconstateerd dat bij appellant, ondanks de door hemzelf ervaren rugklachten, geen sprake is van toegenomen beperkingen. De Raad heeft voorts geconstateerd dat appellant kort daarvóór, op 8 januari 2002, door verzekeringsarts Janssen was onderzocht en dat deze arts, blijkens zijn rapport van dezelfde datum, van oordeel was dat bij appellant, als gevolg van een tijdelijke ischialgie, sinds 20 oktober 2001 (wel) sprake was van toegenomen beperkingen.

Anders dan bezwaarverzekeringsarts Jonker in haar rapport van 5 oktober 2005, ziet de Raad geen aanleiding de resultaten van voormeld onderzoek van verzekeringsarts Janssen niet bij de onderhavige beoordeling te betrekken. De inhoud van het rapport van verzekeringsarts Janssen is met de nadere toelichting van bezwaarverzekeringsarts Jonker, als neergelegd in evengenoemd rapport, geenszins weerlegd. Naar het oordeel van de Raad hadden de bevindingen van verzekeringsarts Janssen, die in tegenspraak zijn met die van verzekeringsarts Wijenbergh, terwijl hun rapporten kort na elkaar zijn opgemaakt, ten minste aanleiding dienen te vormen voor nader overleg alvorens een besluit te nemen over de beperkingen van appellant. Gelet op het vorenoverwogene, moet worden geoordeeld dat de onderhavige herziening op een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek en daarmee op een onvoldoende medische grondslag berust.

Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de herziening van de uitkering ingevolge de WAO, wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking.



Weigering (verdere) uitkering ingevolge de ZW (zaak 03/6558 ZW)

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Zoals uit het vorenstaande blijkt is appellant in dit kader geschikt geacht voor de in voormeld rapport van arbeidsdeskundige Van Belkom genoemde functies.

De Raad heeft allereerst vastgesteld dat de aan de onderhavige weigering ten grondslag liggende hersteldverklaring van appellant per 1 april 2002, blijkens voormelde rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen Wijenbergh en Jonker van respectievelijk 29 januari 2002 en 25 juli 2002, (eveneens) moet worden geacht te berusten op het door verzekeringsarts Wijenbergh op 29 januari 2002 verrichte medisch onderzoek.

Uit de weerslag van dit onderzoek in genoemd rapport is de Raad voorts gebleken dat door genoemde verzekeringsarts uitsluitend de rugklachten van appellant zijn beoordeeld. Naar de Raad heeft geconstateerd zijn de urologische klachten, waarvoor appellant op 19 maart 2002 een uroloog heeft geconsulteerd, door deze verzekeringsarts niet bij zijn beoordeling betrokken. Nu hieruit volgt dat niet alle klachten van appellant in medische zin zijn beoordeeld alvorens hem hersteld te verklaren, moet worden geoordeeld dat de onderhavige hersteldverklaring niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Hieraan doet niet af dat de urologische klachten van appellant, blijkens voormeld rapport van bezwaarverzekeringsarts Jonker van 1 juli 2003, achteraf (wel) medisch zijn beoordeeld.

Het vorenstaande klemt te meer, nu de Raad heeft geconstateerd dat de bij voormelde functies behorende verwoordingen functiebelasting en overzichten verkorte functieomschrijvingen, zich niet bij de stukken bevinden en dat naar het oordeel van de Raad uit voormelde rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen Wijenbergh en Jonker ook onvoldoende blijkt dat de geschiktheid van appellant voor (één) van deze functies daadwerkelijk is beoordeeld. Ook om deze reden acht de Raad de aan de onderhavige weigering ten grondslag liggende hersteldverklaring niet met de vereiste zorgvuldigheid totstandgekomen.

Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de weigering appellant een (verdere) uitkering ingevolge de ZW toe te kennen, eveneens wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal het Uwv opdragen een nieuw besluit op de bezwaren van appellant te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep. De te vergoeden proceskosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.288,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op de bezwaren neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van (€ 29,-- + € 87,-- =) € 116,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. ZW | ZW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x