|
Uitspraak
00/3188
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 januari 1999 heeft gedaagde met toepassing van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aan appellant met
ingang van 16 maart 1994 een uitkering op grond van de bepalingen van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij besluit van 25 januari 1999 heeft gedaagde naar aanleiding van een
eenmalige herbeoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op
de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) aan appellant meegedeeld
dat zijn uitkering ingevolge de WAZ, welke werd berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 31 januari 1999
wordt ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellant ingaande die datum is afgenomen naar minder dan 25%.
Bij het bestreden besluit van 30 september 1999 heeft gedaagde,
beslissende op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 18
januari 1999 en 25 januari 1999, die besluiten gehandhaafd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 28 april 2000 het tegen
het besluit van 30 september 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door zijn
gemachtigde mr. P.C. Ouwendijk, advocaat te Rotterdam, bij beroepschrift
van 8 juni 2000 (met bijlagen) aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 5 oktober 2000 ingediend en bij
brief van 2 november 2000, in aanvulling op het verweerschrift, nadere
stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 januari
2002, waar appellant - conform voorafgaand bericht - niet is verschenen,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M.
Huijzer, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting
van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met de
navolgende overwegingen.
In geding is of gedaagde bij het in rubriek I vermelde bestreden besluit
van 30 september 1999 terecht en op goede gronden appellants bezwaren
tegen de besluiten van 18 januari 1999 en 25 januari 1999 ongegrond
heeft verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 28 april 2000
uiteengezet dat, en op welke gronden, het bestreden besluit naar haar
oordeel in al zijn onderdelen in rechte stand kan houden.
In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat hij op de
data in geding niet in staat was werkzaamheden in dienstverband te
verrichten, hetgeen verband houdt met zijn onmogelijkheid om met
conflicten om te gaan en andere persoonlijkheidskenmerken, direct
verband houdend met zijn psychische problemen.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Appellants grief dat zijn psychische beperkingen in de weg staan aan de
uitoefening van loondienstfuncties komt geen betekenis toe in het kader
van de beoordeling van het bij bestreden besluit gehandhaafde besluit
van 18 januari 1999, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering van
appellant met ingang van 16 maart 1994 is berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Aan dit besluit ligt immers geen
schatting op loondienstarbeid ten grondslag, maar het berust op
gedaagdes visie dat appellant met de door de verzekeringsarts aangegeven
arbeidsbeperkingen op basis van een door de arbeidsdeskundige verrichte
takenanalyse en urenvergelijking een restcapaciteit heeft in zijn eigen
bedrijf van 46,7%.
De Raad overweegt verder dat hij geen reden heeft te twijfelen aan de
juistheid van de bevindingen en conclusies van de door de
verzekeringsarts per 16 maart 1994 vastgestelde arbeidsbeperkingen.
Evenmin bestaan er aanknopingspunten om de door de arbeidsdeskundige
uitgevoerde takenanalyse en urenvergelijking voor onjuist te houden.
Het hoger beroep, voor zover gericht tegen de schatting per 16 maart
1994, kan derhalve niet slagen. Dit brengt mee dat het bestreden besluit
voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 1999
ongegrond is verklaard in rechte stand kan houden en dat de aangevallen
uitspraak, voor zover daarbij genoemd deel van het bestreden besluit in
stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Ten aanzien van het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van
25 januari 1999 overweegt de Raad het navolgende.
Met betrekking tot de voor appellant op 31 januari 1999 geldende
medische (duur)beperkingen, ziet de Raad geen reden te twijfelen aan de
juistheid van de bevindingen en conclusies van de
bezwaarverzekeringsarts H.J. Schaap en de verzekeringsarts J.A.M. van
Uitert, als neergelegd in hun rapportages van respectievelijk 8
september 1999 en 27 oktober 1998, noch aan de beperkingen zoals deze
zijn weergegeven in de verwoording belastbaarheid belanghebbende van 9
november 1998 en het formulier functie informatie systeem vg/ad van 15
augustus 1995.
Appellants in hoger beroep ingenomen stellingen, inhoudende dat
bovengenoemde artsen zijn psychische beperkingen hebben onderschat en
hij gelet op zijn psychische gezondheidstoestand niet in staat is tot
het verrichten van werkzaamheden in loondienstverband, hebben de Raad
niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan wel aanleiding gegeven een
nader onderzoek te gelasten.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van de zijde van appellant geen
gegevens van medische aard naar voren zijn gebracht ter staving van
voornoemde stellingen.
De Raad is verder van oordeel dat bij de selectie van de aan de
schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden
belastende aspecten en in aanmerking genomen dat de bij aspect 28
voorkomende markeringen door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport
van 24 oktober 2000 genoegzaam zijn verklaard, in voldoende mate
rekening is gehouden met de voor appellant geldende medische
beperkingen, zodat die functies als voor appellant in medisch opzicht
passend dienen te worden aangemerkt.
Het hiervoor overwogene betekent evenwel niet dat het bestreden besluit,
voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 1999
ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Schattingsbesluit WAO, Waz en
Wajong (KB 24 december 1997, Stb. 801) wordt, indien het inkomen per uur
dat een betrokkene na toepassing van de artikelen 3 en 4 met arbeid kan
verdienen meer bedraagt dan zijn maatmaninkomen per uur, hetgeen hij met
arbeid kan verdienen niet hoger gesteld dan zijn maatmaninkomen per uur.
Ingevolge het tweede lid, onder b van artikel 5 vindt het vorenstaande
geen toepassing indien de betrokkene nog tot arbeid in dezelfde omvang
in staat is als de in artikel 2 bedoelde gezonde persoon.
Blijkens het rapport van 7 februari 1996 van de arbeidsdeskundige E.H.
Willems werkte appellant in zijn maatmanfunctie 60 uur per week, terwijl
hij op de datum in geding 31 januari 1999 door de verzekeringsarts nog
in staat wordt geacht maximaal 40 uur per week te werken. De Raad merkt
in dit verband op dat de verzekeringsarts Van Uitert in zijn rapport van
27 oktober 1998 de belastbaarheid van appellant heeft vastgesteld
conform de beperkingen zoals aangegeven op het formulier functie
informatie systeem vg/ad van 15 augustus 1995. Op laatstgenoemd
formulier staat expliciet vermeld dat appellant gedurende 40 uur per
week belastbaar is met arbeid. De medische urenbeperking van appellant
blijkt eveneens uit de in hoger beroep ingediende rapportage van de
bezwaarverzekeringsarts Schaap van 24 oktober 2000, die spreekt van
beperkingen ten aanzien van "de fysieke belasting en een normale
werkweek".
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 mei 2000, gepubliceerd in
USZ 2000/165, overweegt de Raad dat toepassing van artikel 5 van het
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong - welk artikel, mede bezien in het
licht van de bij het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong behorende nota
van toelichting, overeenkomt met artikel 4 van het daarvoor geldende
Schattingsbesluit (KB 5 augustus 1994, Stb. 596, zoals aangevuld en
gewijzigd bij KB 31 januari 1996, Stb. 75) - ertoe leidt dat de
resterende verdiencapaciteit van appellant per uur niet meer kan
bedragen dan 40/60 van zijn maatmaninkomen per uur. Vorenstaande leidt
ertoe dat het verlies aan verdienvermogen van appellant ongeveer 33%
bedraagt zodat gedaagde bij het besluit van 25 januari 1999 er ten
onrechte vanuit is gegaan dat het verlies aan verdienvermogen minder dan
25% bedraagt.
Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit voor zover daarbij
het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 1999 ongegrond is
verklaard, dient te worden vernietigd. Dat brengt tevens mee dat de
aangevallen uitspraak, voor zover daarbij genoemd deel van het bestreden
besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.
De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanspraak van appellant op
uitkering krachtens de WAZ per 31 januari 1999 vast te stellen naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Deze kosten worden begroot op € 644 voor verleende rechtsbijstand in
beroep, en op € 322 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep,
totaal derhalve € 966.
Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde
griffierecht in beroep en in hoger beroep door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dient te worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, in zoverre daarbij het beroep tegen
het onderdeel van het besluit van 30 september 1999 waarbij het besluit
van 25 januari 1999, is gehandhaafd ongegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond voor zover dat betrekking
heeft op even bedoeld onderdeel van het besluit van 30 september 1999 en
vernietigt het besluit van 30 september 1999 in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt de mate van appellants arbeidsongeschiktheid in het kader van de
Waz per 31 januari 1999 op 25 tot 35%;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een
bedrag van € 644, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de rechtbank;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 322, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f
230,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2002.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|