|
Uitspraak
00/1839
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 februari 1998 heeft gedaagde besloten appellants
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
niet te wijzigen, aangezien naar het oordeel van gedaagde appellant
ongewijzigd voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt in de zin van die wet was.
Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, bij
brief van 12 februari 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 30 oktober 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 maart 2000 het namens
appellant op 8 december 1998 tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. Van den Brom, voornoemd, bij beroepschrift van
12 april 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden
waarop het hoger beroep berust zijn uiteengezet in het aanvullend
beroepschrift van 14 augustus 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 november 2000 is zijdens appellant een rapport,
gedateerd 1 november 2000, van de huisartsgeneeskundige prof. dr. H.J.
van Aalderen overgelegd.
Op dit rapport is van de zijde van gedaagde gereageerd bij brief van 19
februari 2001, met als bijlage een rapport van 16 februari 2001 van de
bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer.
Desgevraagd is van de zijde van de Raad bij brief van 28 februari 2001
aan gedaagde toestemming verleend een nader onderzoek te entameren.
Vervolgens heeft gedaagde bij schrijven van 2 oktober 2001 een
rapportage van 17 mei 2001 van de longarts Th.B. Waworuntu ingezonden,
alsmede - in reactie hierop - een rapport van bezwaarverzekeringsarts P.M.
Cramer van 20 juni 2001 en van bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere (met
bijlagen) van 19 september 2001.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 november 2001,
waar voor appellant is verschenen mr. E.M. van den Brom en waar namens
gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, destijds werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellant heeft zijn werkzaamheden als bedieningsman in een bottelarij
op 31 december 1988 gestaakt wegens nek- en schouderklachten. In verband
hiermee zijn hem na het vervullen van de wachttijd op 31 december 1989
uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beslissing van 17
augustus 1990 zijn die uitkeringen met ingang van 1 oktober 1990 herzien
en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot
55%. De voormalige Raad van Beroep te Amsterdam heeft, na raadpleging
van de deskundige, orthopedisch chirurg dr. G.E. Rφsing, en van de
deskundige, neuroloog dr. P. Fleury, bij uitspraak van 14 mei 1992 het
tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen
deze uitspraak ingestelde hoger beroep is namens gedaagde ingetrokken.
In september 1994 heeft appellant gedaagde verzocht zijn uitkeringen te
herzien wegens toegenomen klachten, maar zonder resultaat.
Bij brief van 27 juni 1996 is zijdens appellant aan gedaagde opnieuw
medegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen, ditmaal wegens
psychische klachten. Hiertoe is aangevoerd dat appellant in december
1995 onder behandeling is gekomen van psychiater prof. dr. F. Jessurun.
De verzekeringsarts P.W. van Zalinge heeft blijkens haar rapportage van
2 oktober 1997 op basis van eigen onderzoek, de anamnese, de reeds
beschikbare informatie en het rapport van de door haar geraadpleegde
psychiater M.L. Stek van 20 juni 1997 appellants belastbaarheid
vastgesteld. De verzekeringsarts concludeerde dat appellants rug- en
schouderklachten ongewijzigd waren ten opzichte van 1989 en 1995, maar
dat zijn beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn
toegenomen in verband met appellants psychische klachten.
De arbeidsdeskundige R. Gulikers heeft blijkens zijn rapportage van 22
december 1997 appellant in staat geacht om met die door de
verzekeringsarts vastgestelde beperkingen passende arbeid te verrichten.
Aansluitend is door gedaagde het primaire besluit van 6 februari 1998
genomen, waarbij appellants arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is
vastgesteld op 45 tot 55%.
In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft de
bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer blijkens zijn rapportage van 22
september 1998 op basis van de reeds beschikbare gegevens en de nader
ingekomen informatie van de behandelend psychotherapeut B.N.V. Hoogeveen
van 10 juli 1998 de conclusies van de verzekeringsarts Van Zalinge
onderschreven. Gedaagde heeft vervolgens, nadat de
bezwaararbeidsdeskundige M. Overduin in zijn rapport van 15 oktober 1998
de conclusies van de arbeidsdeskundige Gulikers heeft onderschreven, het
bestreden besluit genomen.
De rechtbank komt in de aangevallen uitspraak tot het oordeel dat haar
niet was gebleken dat het opgestelde belastbaarheidsprofiel op onjuiste
of onvolledige wijze de medische beperkingen van appellant weerspiegelt.
Evenmin is haar gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies
appellants belastbaarheid overschrijdt.
Appellant heeft in hoger beroep (opnieuw) doen aanvoeren dat gedaagde
zijn medische beperkingen heeft onderschat en dat hij de voorgehouden
functies niet kan vervullen. Ter ondersteuning van dit standpunt is van
de zijde van appellant een rapport overgelegd van 1 november 2000 van
huisartsgeneeskundige prof. dr. Van Aalderen, die tot het oordeel komt
dat appellant volledig arbeidsongeschikt is, mede vanwege zijn
longklachten.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om -met toestemming van de Raad-
door longarts Waworuntu een nader onderzoek te laten verrichten naar
appellants longklachten. Naar aanleiding van het rapport van 17 mei 2001
van de longarts Waworuntu, die tot de conclusie komt dat appellant - met
inachtneming van beperkingen ten aanzien van zware inspanningen - in
staat kan worden geacht om werkzaamheden te verrichten, scherpt de
bezwaarverzekeringsarts Cramer in zijn rapport van 20 juni 2001 het
belastbaarheidspatroon iets aan. De bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere
concludeert vervolgens naar aanleiding van dit bijgestelde
belastbaarheidspatroon in zijn rapport van 19 september 2001 dat van de
zes aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies, de
functie van samensteller weliswaar moet komen te vervallen, maar dat de
indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% kan worden
gehandhaafd.
Het gaat in dit geding om de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit
van 30 oktober 1998 - met toepassing van artikel 38 van de WAO -
appellants arbeidsongeschiktheid terecht onveranderd heeft vastgesteld
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Wat betreft het medisch aspect van de onderhavige beoordeling is de Raad
van oordeel dat de belastbaarheid van appellant, met inachtneming van de
daarbij door longarts Waworuntu geplaatste kanttekening, juist is
vastgesteld door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Cramer.
De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de zienswijze van deze
verzekeringsarts berust op eigen onderzoek van appellant, op informatie
die is ingewonnen bij de behandelende sector en op rapportages van de
door de verzekeringsarts geraadpleegde psychiater Stek en van de
longarts Waworuntu.
De Raad heeft hier voorts bij in aanmerking genomen dat in het
belastbaarheidspatroon aanzienlijke beperkingen zijn aangenomen ten
aanzien van appellants rug- en schouderklachten, zijn psychische
klachten en, naar aanleiding van de rapportage van longarts Waworuntu,
ook nog ten aanzien van zijn longklachten.
De Raad ziet in het rapport van de huisartsgeneeskundige Van Aalderen
geen aanknopingspunten voor een ander oordeel, waarbij de Raad in
aanmerking heeft genomen dat die arts onvoldoende inzichtelijk maakt
waarom appellants gecombineerde aandoeningen hem volledig zouden
beletten aan het arbeidsproces deel te nemen.
Aangaande de ter zitting van de Raad nog nader toegelichte grief dat met
appellants oogklachten ten onrechte geen rekening is gehouden merkt de
Raad nog op dat blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige
Meere van 23 april 1999 wel degelijk een beoordeling van appellants
oogklachten heeft plaatsgevonden, maar dat deze beoordeling niet tot het
stellen van verdergaande beperkingen van zijn belastbaarheid heeft
geleid.
De Raad heeft dan ook geen aanleiding gevonden om een medisch onderzoek
te gelasten, zoals zijdens appellant is verzocht. In het algemeen gaat
de Raad slechts daartoe over indien de gedingstukken dan wel de door of
namens betrokkene aangedragen gegevens reden geven voor twijfel aan de
juistheid van de vastgestelde beperkingen. Uit het hiervoor overwogene
vloeit voort dat een zodanige situatie hier niet aan de orde is.
Wat betreft het arbeidskundig aspect overweegt de Raad dat hij de vijf
resterende functies met uitzondering van die van inpakker koekjes
(vooralsnog) voor appellant geschikt acht. Voor wat betreft deze laatste
functie overweegt de Raad dat de door gedaagde in de stukken gegeven
toelichting op de overschrijding van appellants belastbaarheid ten
aanzien van het aspect reiken, neerkomt op een - impliciete - wijziging
van de waardering van appellants belastbaarheid, hetgeen naar het
oordeel van de Raad zonder een toereikende motivering, welke in casu
ontbreekt, ontoelaatbaar is.
De Raad constateert vervolgens dat noch uit het primaire besluit van 6
februari 1998, noch uit het bestreden besluit van 30 oktober 1998 blijkt
op welke datum het besluit ziet. Op grond van de gedingstukken -in het
bijzonder het rapport van arbeidsdeskundige R. Gulikers van 22 december
1997- en het verhandelde ter zitting houdt de Raad het ervoor dat de
voor dit geding relevante datum 28 december 1995 is.
Uitgaande van deze datum in geding is naar het oordeel van de Raad niet
voldaan aan de uit 's Raads rechtspraak in een geval als het onderhavige
voortvloeiende eis dat de voor appellant geschikt geachte functies - met
alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake belasting, beloning,
opleidingseisen, arbeidsplaatsen e.d.- ook op de datum in geding, 28
december 1995, op de arbeidsmarkt voorkwamen. Uit de overgelegde
arbeidsmogelijkhedenlijsten van respectievelijk 13 oktober 1997 en van
6 februari 1998 blijkt immers dat de actualiteitsdata van die functies
ver na de datum in geding gelegen zijn, te weten in 1996, 1997 en 1998.
De Raad acht het bestreden besluit daarom in strijd met artikel 18 van
de WAO, zodat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak waarbij
dat besluit in stand is gebleven, niet in stand kunnen blijven.
De Raad zal gedaagde opdragen, met inachtneming van het gestelde in deze
uitspraak, een nader besluit te nemen omtrent de aanspraken van
appellant op uitkeringen ingevolge de AAW de WAO met ingang van 28
december 1995.
Het namens appellant gedane verzoek tot vergoeding van wettelijke rente
komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu op grond van het
vorenoverwogene nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal dienen te
luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht
dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade,
als verzocht, te vergoeden.
De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op
644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op 644,- voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op 17,97 (f 39,60) voor
kosten van de huisarts die aan appellants gemachtigde verslag heeft
uitgebracht.
Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte
rapport van de huisartsdeskundige prof. dr. Van Aalderen is de Raad van
oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op
het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit
proceskosten bestuursrecht komt appellant bij een bestede tijd van 4 uur
een forfaitaire vergoeding toe van 324,91 (f 716,--). Dit is
gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid,
onder IV van het van toepassing verklaarde Besluit tarieven in
strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van f 179,-- ( 81,23).
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in
hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden
vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
986,88, in totaal 1.630,88, te betalen aan de griffier van de
Raad;
Verstaat dat gedaagde het gestorte recht van 102,10 aan appellant
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2002.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|