|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/6899
AAWAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 november 2004,
03/893 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Paterswolde,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr.
M.T. van Daatselaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. G.A. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
De Raad heeft geen aanleiding gezien het door de gemachtigde van
appellant ter zitting herhaalde verzoek om uitstel van de mondelinge
behandeling te honoreren. Daartoe is overwogen dat appellant kennelijk
zelf prioriteit heeft gegeven aan een buitenlandse vakantie zodat de
gevolgen daarvan voor zijn rekening moeten komen. Wat betreft de
verhindering van de gemachtigde van appellant in verband met de zitting
van een ander rechtscollege overweegt de Raad dat de afwezigheid van de
kantoorgenote van de gemachtigde al langere tijd te voorzien was, zodat
in verband daarmee maatregelen getroffen hadden kunnen worden.
Voor een uitvoeriger overzicht van de feiten en omstandigheden ter zake
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat hij met
het volgende.
Appellant was werkzaam als directeur-grootaandeelhouder van
schoonmaakbedrijf [naam besloten vennootschap]. Hij heeft zich op 1
februari 1984 met psychische klachten ziek gemeld. Na langdurige
procedures in beroep en hoger beroep tussen appellant en de
rechtsvoorganger van het Uwv over de weigering van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen heeft het Uwv bij besluit van 15 april
2002 (besluit 1) appellant in aansluiting op de wachttijd van 52 weken
met ingang van 1 februari 1985 uitkeringen toegekend op grond van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar tevens besloten dat deze
uitkeringen met toepassing van de artikelen 34 van de AAW en 45 van de
WAO niet tot uitbetaling komen in verband met inkomsten uit arbeid van
appellant.
Bij besluit van eveneens 15 april 2002 (besluit 2) heeft het Uwv de
uitkeringen met ingang van 1 januari 1989 ingetrokken wegens het
handelen van appellant in strijd met de voorschriften nu hij had
verzuimd een identiteitsbewijs te tonen. Appellant heeft tegen beide
besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 10 juli 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het
Uwv het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen
besluit 2 gegrond verklaard onder de overweging dat appellant alsnog aan
zijn legitimatieplicht had voldaan. De intrekking van de uitkeringen per
1 januari 1989 heeft het Uwv echter gehandhaafd omdat appellant met
ingang van die datum niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht in de
zin van de AAW en de WAO.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant kan zich niet met die uitspraak verenigen en heeft in hoger
beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat het Uwv handelt in strijd met
de rechtszekerheid door hem na 17 jaar het recht op uitkering geheel te
ontzeggen. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat er geen
sprake is geweest van inkomsten uit arbeid maar slechts van bedragen die
hij van derden ([naam besloten vennootschap]) heeft ontvangen ter
leniging van financiële nood in afwachting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, welke bedragen moesten worden
terugbetaald. Voorts is aangevoerd dat het Uwv - in strijd met de
jurisprudentie van de Raad - de korting van inkomsten niet per jaar
afzonderlijk heeft berekend. Appellant acht het verder onmogelijk dat in
het jaar 2002 een oordeel wordt gegeven over zijn gezondheidstoestand op
1 september 1989.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit van 10 juli 2003 in rechte
stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en
onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank tot haar oordeel is
gekomen. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.
In het onderhavige geval heeft de toekenning, korting en intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant plaatsgevonden over
een afgesloten periode in het verleden. Dat betekent in dit geval niet
van toepassing is de vaste jurisprudentie van de Raad, die inhoudt dat
behoudens uitzonderingsgevallen intrekking of korting van een eenmaal
toegekende uitkering met terugwerkende kracht in strijd is met het
rechtszekerheidsbeginsel. Ook het feit dat het daarbij gaat om een
periode van meer dan 17 jaar geleden, doet daaraan niet af.
De Raad is voorts niet gebleken van ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke
schriftelijke uitlatingen dan wel gedragingen van het Uwv of zijn
rechtsvoorgangers waaraan appellant het gerechtvaardigd vertrouwen kon
ontlenen dat hem vanaf 1 februari 1985 tot na 1 januari 1989
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betaalbaar zouden worden gesteld. Ook
in die zin is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake.
Appellant heeft niet bestreden dat hij in een gesprek met de
arbeidsdeskundige Bleumink op 8 februari 1993 heeft opgegeven dat hij in
de periode van 1 februari 1985 tot 1 januari 1989 arbeid heeft verricht
als directeur van [naam besloten vennootschap] en evenmin dat de B.V.
hem in die periode 10.000 gulden per maand, dus 120.000 gulden per jaar
betaalde. Appellant betwist slechts dat die betalingen inkomsten uit
arbeid zijn. Naar het oordeel van de Raad zijn in de gedingstukken
voldoende aanwijzingen te vinden dat het hier om inkomsten uit arbeid
gaat. Zo heeft appellant in een behoorlijke omvang als directeur
werkzaamheden verricht voor de B.V. Het ligt in de rede dat de
betalingen van de B.V. aan appellant dan ook moeten worden aangemerkt
als een wederprestatie voor de door appellant verrichte arbeid. Ook de
fiscus heeft de betalingen aangemerkt als inkomsten uit arbeid. In een
faxbericht van 28 februari 2002 aan het Uwv heeft appellant voorts zelf
het voorstel gedaan de hem nog uit te betalen AAW/WAO-uitkeringen te
verrekenen met de premieschuld die voortvloeide uit zijn
bestuurdersaansprakelijkheid. Een dergelijk voorstel is niet in
overeenstemming met de stelling van appellant dat de door hem van de B.V.
ontvangen gelden voorschotten waren, die hij aan de B.V. moest
terugbetalen als de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan hem betaald
zouden worden. Onder deze omstandigheden ligt de bewijslast dat het hier
niet om inkomsten uit arbeid gaat bij appellant. Appellant is er echter
niet in geslaagd om zijn stelling aannemelijk te maken.
Met betrekking tot de wijze waarop het Uwv de korting van de inkomsten
op de uitkering heeft berekend wijst de Raad er op dat de
arbeidsdeskundige J.G. Dirkzwager in zijn rapport van 31 juli 2001 per
jaar afzonderlijk een berekening heeft gemaakt, die op zichzelf niet
door appellant is bestreden en die de Raad niet onjuist voorkomt. Deze
berekening is neergelegd in een brief van de arbeidsdeskundige aan
appellant van 23 oktober 2001, welke brief blijkens besluit 1 van 15 april 2002 deel
uitmaakt van dat besluit. Hiermee is ook naar het oordeel van de Raad op
een juiste wijze toepassing gegeven aan de van toepassing zijnde
kortingsbepalingen.
Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd
over de onmogelijkheid om zijn gezondheidstoestand op 1 januari 1989 te
beoordelen merkt de Raad op dat zaken als de onderhavige altijd een
retrospectief karakter hebben en derhalve steeds een beoordeling van een
situatie in het verleden zal moeten plaatsvinden. De Raad wijst er
daarbij op dat deze stelling van appellant in tegenspraak is met het
door hem ingebrachte rapport van psychiater E. van Altena van 5
september 2003 waarin deze psychiater een beoordeling geeft over de
periode waarover volgens appellant het Uwv geen beoordeling kan plegen.
De verzekeringsarts L.J. Zwemer en de bezwaarverzekeringsarts N. Visser
konden bij hun beoordeling beschikken over de zich in het dossier
bevindende medische gegevens, waaronder de medische kaarten van de
huisarts over de periode van 27 december 1979 tot 1 augustus 1994. Beide
artsen hebben naar het oordeel van de Raad uitvoerig gemotiveerd
aangegeven waarom naar hun mening bij appellant op 1 september 1989 geen
sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van AAW en de WAO.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G.
Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 30 januari 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
|
|