|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/5440
AAW/WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 augustus 2004, 03/30
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv),
Datum uitspraak: 17 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Westenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.
Vork.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.
Appellante heeft gewerkt als verkoopster bij de Hema. In verband met een
voetletsel ontving zij vanaf 17 augustus 1982 uitkeringen ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 24 januari 1986 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de
uitkeringen van appellante ingevolge de AAW en de WAO ingetrokken,
aangezien appellante met ingang van 1 maart 1986 voor minder dan 25,
respectievelijk voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die
wetten werd beschouwd.
De toenmalige Raad van Beroep te Haarlem heeft het beroep van appellante
tegen dit besluit bij uitspraak van 13 juni 1988, 86/321, ongegrond
verklaard omdat, kort gezegd, de volgens appellante op grond van ziekte
of gebrek bestaande arbeidsbeperkingen in verband met longklachten niet
konden worden geobjectiveerd.
Bij uitspraak van 27 november 1990, nummer AAW/WAO 1988/892, heeft de
Raad de uitspraak van de Raad van Beroep bevestigd.
Bij brief van 17 november 1998 heeft mr. Westenberg namens appellante
aan de rechtsvoorganger van het Uwv verzocht op grond van nieuwe feiten
en omstandigheden het besluit van 24 januari 1986 te herzien dan wel met
ingang van een latere datum dan 1 maart 1986 alsnog een uitkering toe te kennen wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid.
Daartoe is aangevoerd dat appellantes longklachten inmiddels wel waren
geobjectiveerd door de behandelend longarts J.H.A.M. van den Bergh die
heeft vastgesteld dat appellante lijdt aan hypogammaglobulinemie, wat
tot gevolg heeft dat luchtweginfecties bij haar voortdurend terugkomen.
Appellante stelt zich op het standpunt dat daardoor ook de longklachten,
waaraan zij op 1 maart 1986 leed, zijn geobjectiveerd.
Bij besluit van 12 juli 2000 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van
het besluit van 24 januari 1986, aangezien niet is gebleken van nieuwe
feiten of omstandigheden die daartoe aanleiding geven.
Bij besluit van 27 november 2002, verder het bestreden besluit, is het
bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2000 ongegrond
verklaard. Daarbij is de grondslag van het primaire besluit in
heroverweging in zoverre gewijzigd dat beslist is om niet terug te komen
op het besluit van 24 januari 1986, omdat appellante per 1 maart 1986
onverminderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht en er
ook geen sprake is van toeneming van arbeidsongeschiktheid binnen vier
weken na 1 maart 1986.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. In de
aangevallen uitspraak, waarin appellante "eiseres" en het Uwv
"verweerder" wordt genoemd, is ter zake het volgende
overwogen:
"4.5. De rechtbank overweegt dat de weigering om terug te komen op
het besluit van 24 januari 1986 slechts terughoudend kan worden
getoetst. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24
december 2003, RSV 2004, 90 volgt dat op zichzelf niet langer
doorslaggevend is of de nieuw gebleken feiten of omstandigheden de
kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit aantonen. De
rechtbank dient zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is
van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
4.6. De rechtbank is van oordeel dat door en namens eiseres niet
dusdanige feiten of omstandigheden in het geding zijn gebracht. De
rechtbank heeft hierbij overwogen dat aan de diagnose in 1998 dat
eiseres lijdt aan hypogammaglobulinemie niet de conclusie kan worden
verbonden dat zij hieraan per 1 maart 1986 ook al leed, temeer daar dr.
J.H.A.M. van den Bergh in zijn brief van 28 april 1998 nadrukkelijk
aangeeft zich niet uit te kunnen laten over de aanwezigheid van
hypogammaglobulinemie bij eiseres voor 1998. De aantekeningen van het
Westfries Gasthuis te Hoorn over 1984, 1986, 1987, 1988 en 1989, waarin
melding wordt gemaakt van de benauwdheidsklachten van eiseres, van
bezoeken aan de EHBO afdeling van het ziekenhuis en van behandeling met
prednison en antibiotica, vormen eveneens geen zodanige omstandigheden
dat verweerder daarin aanleiding had behoren te vinden om zijn besluit
van 24 januari 1986 te herzien. De aangegeven data omvatten daarvoor een
te grote tijdspanne en zijn te weinig specifiek over de situatie rond de
datum van 1 maart 1986. Ook het feit dat eiseres in 1989 in aanmerking kwam voor
voorzieningen die in relatie staan met haar longklachten vormen geen
aanleiding om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid zijn
besluit van 24 januari 1986 heeft kunnen handhaven. De aanvullende
stukken die door eiseres bij brief van 22 oktober 2003 zijn overlegd
veranderen dit oordeel niet.
4.7. Het hiervoor gestelde is naar het oordeel van de rechtbank eveneens
van toepassing op de periode vier weken na 1 maart 1986, zodat verweerder heeft mogen besluiten dat eiseres
eveneens niet in aanmerking kwam voor een uitkering krachtens de WAO en
de AAW vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid in die periode."
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zijn stellingen
herhaald en een rapport van de behandelend longarts prof. dr. P.J. van
den Broek van 13 december 2004 overgelegd.
Het Uwv heeft op dat rapport een schriftelijke reactie gegeven.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad kan zich volledig verenigen met het hierboven weergegeven
oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en de overwegingen
waarop dit oordeel berust.
De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.
Uit de inhoud van het rapport van prof. Van den Broek heeft de Raad niet
kunnen afleiden dat deze longspecialist appellante op en kort na 1 maart
1986 op grond van ziekte of gebrek meer beperkt acht wat betreft arbeid
dan het Uwv heeft aangenomen. In dit opzicht is veelzeggend dat prof.
Van den Broek blijkens zijn rapport niet kan aangegeven of de ziekte
waaraan appellante lijdt ook op of kort na 1 maart 1986 al aanwezig was.
Voorts acht de Raad van belang dat in een brief van 7 april 1986 aan de
huisarts -met afschrift aan de betrokken arts van de toenmalige
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD)- van de destijds behandelend
longarts J. Prins wordt vermeld dat op 5 februari 1986 een
longfunctieonderzoek plaats heeft gevonden, en dat hij uit de resultaten
daarvan afleidde dat appellante toen in een redelijk stabiele situatie
verkeerde. Voorts geeft hij in dat rapport aan dat het klinisch met
appellante toen heel goed ging.
Voorts schrijft de longarts J. Stallaert namens de longarts Prins op 11
juli 1986 aan de arts van de GMD dat hij op basis van onderzoek in de
bodyplethysmograaf op 16 juni 1986 een minimale hyperreactiviteit van
het bronchiaal slijmvlies aanwezig acht.
Eerst uit een brief van 5 augustus 1986 van de longarts Prins aan de
huisarts kan worden afgeleid dat bij spreekuuronderzoek begin juli 1986
appellantes longfunctie was verslechterd, mogelijk als gevolg van een
opgelopen luchtweginfectie.
Wat betreft het in het beroepschrift aan de Raad gedaan beroep op een
toezegging die ertoe zou moeten leiden dat het besluit van 24 januari
1986 zou worden herzien indien appellante nadere gegevens zou
overleggen, overweegt de Raad dat in een brief van 6 oktober 1999 van de
rechtsvoorganger van het Uwv aan appellante niet meer is vermeld dan dat
een nadere beoordeling mogelijk is, als appellante over informatie
beschikt die een ander licht op de situatie werpt. Een toezegging die
gehoudenheid voor het Uwv oplevert om het besluit van 24 januari 1986 te
herzien, kan de Raad daarin niet lezen.
Op basis van het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat
het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen
uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
De Raad wil niet nalaten het volgende, zij het voor dit geding
uitdrukkelijk ten overvloede, op te merken.
Het Uwv moet naar aanleiding van het verzoek van mr. Westenberg in de
bezwaarfase van de onderhavige procedure thans nog een besluit nemen
over de aanspraken ingevolge de AAW en de WAO van appellante over het
tijdvak dat aanvangt vier weken na 1 maart 1986 en eindigt op de
tijdstippen waarop appellante wegens niet langer verzekerd zijn voor de
WAO, respectievelijk het niet langer voldoen aan de eis van enig inkomen
voor de AAW in elk geval geen aanspraak meer aan genoemde wetten kan
ontlenen.
Bij het voorbereiden en nemen van dat besluit zal door het Uwv in elk
geval een medisch naar behoren gemotiveerd antwoord moeten worden
gegeven op de vraag waarom de - uit het dossier blijkende - door
appellante over 1987 ontvangen behandelingen in het ziekenhuis in
verband met haar longen in dat jaar niet en vanaf 1 januari 1989 wel
aanleiding tot het aannemen van op ziekte of gebrek berustende
arbeidsbeperkingen die tot arbeidsongeschiktheid leiden.
Voorts zal moeten worden onderzocht en beoordeeld hoe lang appellante
destijds uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en/of de Wet
Werkloosheidsvoorziening heeft genoten, nu het antwoord op die vraag
zowel voor de duur van de verzekering ingevolge de WAO als het voldoen
aan de eis van enig inkomen voor de AAW relevant is.
Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 17 oktober 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.
|
|